Naar boven ↑

Rechtspraak

VOF Co-Pe Horeca/werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 juli 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:5741

VOF Co-Pe Horeca/werkneemster

De omstandigheid dat werkgeefster in een slechte financiële positie verkeert én niet over een arbeidsongeschiktheidsverzekering beschikt, kan niet onder de h-grond worden geschaard.

Feiten

Werkneemster is op 1 juli 2014 bij VOF Co-Pe Horeca (hierna: Co-Pe) in dienst getreden, laatstelijk in de functie van barmedewerkster. Op 3 april 2017 heeft Co-Pe aan werkneemster medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden wenste te beëindigen. Werkneemster heeft hiervoor akkoord gegeven. Een dag later is werkneemster op haar beslissing teruggekomen en heeft zij aan Co-Pe laten weten dat zij vasthoudt aan voorzetting van het dienstverband. Op 5 april 2017 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Vervolgens heeft zij de bedrijfsarts bezocht, die op 31 mei 2017 vaststelde dat sprake is van een arbeidsconflict tussen partijen. In dit kader is ook een mediator ingeschakeld. Op 22 augustus 2017 is geconstateerd dat werkneemster lijdt aan keelkanker. Als gevolg daarvan is het mediationtraject stopgezet. Co-Pe verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Aan het ontbindingsverzoek legt zij ten grondslag dat werkneemster diverse keren te laat op het werk verschijnt, dronken achter de bar staat en het café regelmatig te laat sluit. Co-Pe verzoekt subsidiair ontbinding op de h-grond. Aan dit verzoek legt zij ten grondslag dat zij het salaris van werkneemster vanwege haar penibele financiële situatie niet meer kan opbrengen en ook geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft.

Oordeel

Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)

De kantonrechter oordeelt als volgt. Volgens Co-Pe heeft werkneemster zich in de uitoefening van haar functie meerdere malen verwijtbaar gedragen, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een schriftelijke officiële waarschuwing op 14 november 2016. Dit valt evenwel niet te rijmen met het feit dat na de officiële waarschuwing niet met elkaar is gesproken over een verstoring in de arbeidsverhouding, maar wel over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden op initiatief van Co-Pe. Volgens de kantonrechter doet dit het vermoeden rijzen dat Co-Pe, die tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wilde komen, geen verstoring van de arbeidsverhouding ervoer op de dag dat zij het beëindigingsvoorstel deed. Verder is niet komen vast te staan dat zich na 3 april 2017 incidenten hebben voorgedaan waaruit blijkt dat sprake is van een verstoring in de arbeidsverhouding. Er is integendeel zelfs gebleken dat partijen vanaf de ziekmelding tot aan het moment van de mondelinge behandeling gedurende een lange periode niet direct met elkaar in contact zijn getreden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding. Het mediationtraject lijkt, mede vanwege de ziekte van werkneemster, niet van de grond te zijn gekomen. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Overige omstandigheden (h-grond)

In het kader van de invulling van de h-grond heeft Co-Pe benadrukt dat zij een groot financieel belang bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft en niet over een arbeidsongeschiktheidsverzekering beschikt. De kantonrechter overweegt in dit verband dat het niet aan hem is om hierover een oordeel te geven vóórdat het UWV dat heeft gedaan. Bovendien geldt dat indien van de bedrijfseconomische omstandigheden als redelijke ontbindingsgrond moet worden uitgegaan, de arbeidsovereenkomst van werkneemster op grond van het opzegverbod tijdens ziekte niet beëindigd kan worden zolang zij arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Verder oordeelt de kantonrechter dat de h-grond louter is bedoeld voor situaties die niet onder het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 sub a t/m g BW vallen. Het is niet de bedoeling om een slechte financiële positie van de werkgeefster (a-grond) én de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster onder artikel 7:669 lid 3 sub h BW te scharen. Het ontbindingsverzoek is derhalve evenmin toewijsbaar op de h-grond. Tot slot merkt de kantonrechter op dat de stelling van Co-Pe dat haar klanten wegblijven vanwege de slechte verstandhouding met werkneemster, niet aannemelijk voorkomt. Werkneemster heeft namelijk vanaf 5 april 2017 geen werkzaamheden verricht. Indien deze stelling juist zou zijn, zou het voor de hand liggen dat het café weer druk bezocht zou worden vanwege de afwezigheid van werkneemster in de afgelopen 15 maanden. Dit is evenwel niet gebleken. Het ontbindingsverzoek is evenmin toewijsbaar op de h-grond.