Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 11 juli 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:4562
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is met ingang van 23 september 2013 bij de rechtsvoorganger van werkgeefster in dienst getreden in de functie van chauffeur op oproepbasis. Werknemer is thans werkzaam krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met werkgeefster. Werknemer heeft zich op 24 oktober 2016 bij werkgeefster ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft werknemer met ingang van 21 december 2016 volledig arbeidsgeschikt verklaard. Werknemer heeft hierop in januari 2017 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft in zijn deskundigenoordeel van 7 april 2017 bevestigd dat werknemer met ingang van 21 december 2016 volledig arbeidsgeschikt is. Werknemer heeft met ingang van 19 februari 2018 zijn werkzaamheden voor werkgeefster hervat. Werknemer vordert de kantonrechter werkgeefster te veroordelen tot betaling van het nettoequivalent van € 23.919,38 bruto inzake achterstallig loon.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil of werkgeefster op grond van artikel 7:610b juncto artikel 7:628 BW vanaf 1 maart 2017 (achterstallig) loon aan werknemer verschuldigd is. Voor een loonaanspraak is vereist dat werknemer zich richting werkgeefster bereid heeft verklaard om de bedongen arbeid te verrichten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat werknemer na zijn hersteldmelding ingaande 21 december 2016 eerst per e-mail van 24 april 2017 zijn beschikbaarheid voor de komende periode heeft doorgegeven. Van een loonaanspraak over een eerdere periode (van 1 maart 2017 tot 24 april 2017) is dan ook geen sprake. Op grond van artikel 7:610b BW dient in beginsel de periode van januari 2017 tot en met maart 2017 – zijnde drie maanden voorafgaand aan de e-mail van 24 april 2017 – als referteperiode te worden gehanteerd. Tussen partijen staat vast dat werknemer in die periode geen werkzaamheden voor werkgeefster heeft verricht. De vermoedelijke rechtsomvang is dan ook nihil. De kantonrechter ziet in dit geval geen aanleiding om de referteperiode van drie maanden te verleggen naar een andere periode, te weten van januari 2016 tot en met november 2016, zoals door werknemer is aangevoerd. De bedrijfsarts heeft werknemer per 21 december 2016 volledig hersteld verklaard. Werknemer heeft zijn werkzaamheden op dat moment niet hervat. Werknemer heeft in januari 2017 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV, omdat hij het met het oordeel van de bedrijfsarts niet eens was. Het UWV heeft zich op 7 april 2017 gerefereerd aan het oordeel van de bedrijfsarts. Dat werknemer in de periode van de beoordeling door het UWV geen werkzaamheden heeft verricht dient in beginsel voor zijn rekening en risico te komen. Werknemer stelt echter dat hij zich beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van (aangepaste) werkzaamheden, maar werkgeefster van zijn aanbod geen gebruik heeft gemaakt. Werkgeefster heeft dit gemotiveerd weersproken. Dat werknemer zich na 21 december 2016 beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van (aangepaste) werkzaamheden blijkt ook niet uit de overgelegde stukken. Tegen de achtergrond van de e-mail van 24 april 2017, waarin werknemer zijn beschikbaarheid voor de komende periode aankondigt, lijkt juist te volgen dat hij in de periode voorafgaand aan 24 april 2017 niet beschikbaar was om voor werkgeefster werkzaamheden te verrichten. Ook uit de door werkgeefster overgelegde transcriptie van 3 mei 2017, waarin werknemer zelf verklaart dat hij in de periode voorafgaand aan 3 mei 2017 druk bezig was met andere werkzaamheden blijkt die beschikbaarheid niet. Ook heeft werknemer nagelaten een verklaring te geven waarom hij zich enerzijds wel beschikbaar heeft gehouden om zijn eigen werkzaamheden te verrichten, terwijl hij anderzijds bij het UWV een deskundigenoordeel heeft aangevraagd, omdat hij het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts dat hij per 21 december 2016 weer volledig arbeidsgeschikt was. De kantonrechter wijst de vorderingen van werknemer af.