Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 7 augustus 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:1903
De Republiek van Zuid-Afrika/werkneemster
Feiten
Werkneemster is sinds 1988 in dienst getreden bij Zuid-Afrika, op zijn ambassade te Den Haag. De ambassade heeft bij brief van 1 maart 2017 de arbeidsovereenkomst met werkneemster met toestemming van het UWV opgezegd. Werkneemster heeft de kantonrechter onder meer verzocht om Zuid-Afrika te veroordelen tot betaling van € 62.753 bruto aan transitievergoeding. Zuid-Afrika heeft zich hiertegen verweerd met een beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter vanwege immuniteit van jurisdictie en voorts gesteld dat het verzoek van werkneemster was gericht tegen een niet-erkend publiekrechtelijke rechtspersoon, die niet in de procedure kon verschijnen om zich te verweren; het verzoek in eerste aanleg was gericht tegen de regering van de Republiek van Zuid-Afrika. De kantonrechter heeft de verweren van Zuid-Afrika verworpen en Zuid-Afrika veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Zuid-Afrika is hiertegen in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Zuid-Afrika beroept zich op immuniteit van jurisdictie. Anders dan Zuid-Afrika meent, is de genoemde uitzondering niet van toepassing op werkneemster. Niet kan worden gesteld dat zij door haar werkzaamheden als schoonmaakster/kokkin een functie vervulde in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid, als bedoeld in artikel 11 lid 2, aanhef en onder a van het VN-verdrag. Deze werkzaamheden zijn alledaags en hebben naar hun aard geen diplomatiek en/of publiek karakter. Van het uitoefenen van bevoegdheden van de overheid is in die functie geen sprake. Dat werkneemster bedoelde haar werkgever, de Republiek van Zuid-Afrika, in rechte te betrekken, staat niet ter discussie en daarover heeft ook geen misverstand bestaan. Weliswaar was sprake van een onjuiste tenaamstelling van de verwerende partij in eerste aanleg, maar gesteld noch gebleken is dat Zuid-Afrika op enigerlei wijze is geschaad in zijn mogelijkheid om verweer te voeren. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Nederlands (arbeids)recht op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing is; wel bestaat discussie over de vraag of Zuid-Afrika een beroep kan doen op artikel 7:615 BW en of dit artikel ertoe dient te leiden dat werkneemster geen recht heeft op een transitievergoeding. In beginsel komt Zuid-Afrika inderdaad een beroep toe op artikel 7:615 BW, hoewel hij geen Nederlands publiekrechtelijk lichaam is. Uit artikel 7:615 BW volgt dat de bepalingen van Boek 7 titel 10 BW niet van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst van werkneemster. Dit geldt dus in beginsel ook voor artikel 7:673 BW e.v. Door werkneemster is echter voorts gesteld, dat zij, uitgaande van de door Zuid-Afrika overgelegde arbeidsovereenkomst, uit hoofde van artikel 2 van haar arbeidsovereenkomst recht heeft op een transitievergoeding. Het hof oordeelt als volgt. Een logische – tekstuele – uitleg van deze bepaling in de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van het hof dat een ontslagvergoeding, waar een werknemer volgens het lokale (in dit geval: Nederlandse) recht aanspraak op heeft, zal worden uitbetaald, in casu dus de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW. Werkneemster mag de bepaling in artikel 2 van haar arbeidsovereenkomst in redelijkheid zo begrijpen dat hieruit voor haar een recht op een transitievergoeding voortvloeit indien zij voldoet aan de Nederlandse voorwaarden voor het recht op transitievergoeding. Hierbij acht het hof mede van belang dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster naar Nederlands recht werd uitgevoerd. De conclusie is dan ook dat werkneemster op grond van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst recht heeft op de transitievergoeding.