Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 11 juli 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:5058
X/Bedrijfstakpensioenfonds Y
Feiten
Y is een bedrijfstakpensioenfonds voor ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met de groothandel in bouwmaterialen. Deelneming in Y is laatstelijk verplicht gesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 februari 2015. X is een op 26 oktober 2009 opgerichte besloten vennootschap. In het handelsregister wordt X omschreven als een ‘groothandel gespecialiseerd in overige bouwmaterialen’. X is een 100% dochteronderneming van het in Italië gevestigde A. Verder heeft X drie commissarissen en een gevolmachtigde. X vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat X niet onder de verplichtstelling van Y valt. Y voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. X heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij betwist dat zij onder de werkingssfeer van Y valt. In dat kader voert X aan dat zij niet kwalificeert als onderneming en dat zij niet voor eigen rekening en risico handelt. Y heeft als verweer aangevoerd dat uit het handelsregister volgt dat X in beginsel onder de werkingssfeer van Y valt. De relatie tussen X en A staat er volgens Y niet aan in de weg dat X kwalificeert als onderneming en voor eigen rekening en risico handelt.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil of X onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Y valt. Y stelt met onder meer verwijzing naar de gegevens in het handelsregister dat X onder het verplichtstellingsbesluit van Y valt. Immers, Y is het verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds voor ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met de groothandel in bouwmaterialen. In het handelsregister is opgenomen dat X een in Nederland gevestigde besloten vennootschap is met als activiteitenomschrijving ‘groothandel gespecialiseerd in overige bouwmaterialen’. De kantonrechter is van oordeel dat Y daarmee aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan. Daar staat echter tegenover dat X gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Gezien de standpunten van partijen hangt de toewijsbaarheid van de vordering van X af van het antwoord op de vragen of X kwalificeert als onderneming in de zin van het verplichtstellingsbesluit en of zij voor eigen rekening en risico handelt, zoals bedoeld in artikel I 1. van het verplichtstellingsbesluit. Ter motivering van haar verweer dat zij geen onderneming is in de zin van het verplichtstellingsbesluit voert X aan dat zij niet kwalificeert als een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid en dat zij niet het oogmerk heeft materieel voordeel voor zichzelf te behalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. X heeft gewezen op diverse feiten en omstandigheden die meebrengen dat zij in grote mate afhankelijk is van A. Echter, al deze feiten en omstandigheden hebben betrekking op de interne verhoudingen en de interne afspraken binnen het B-concern. Naar buiten toe treedt X op als zelfstandig rechtspersoon. In die hoedanigheid neemt zij deel aan het rechtsverkeer; zij is partij bij overeenkomsten, zij verricht en ontvangt betalingen en zij kan aansprakelijk gesteld worden. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat X valt onder het begrip van een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid zoals dat naar objectieve maatstaven uitgelegd kan worden. Een andere uitleg zou betekenen dat X door middel van interne afspraken met haar moederonderneming A onder deelname aan Y uit zou kunnen komen, hetgeen een onaannemelijk rechtsgevolg is. Ook het verweer dat X niet het oogmerk heeft materieel voordeel voor zichzelf te behalen slaagt niet. Dat de door X behaalde winst direct wordt afgeroomd door A betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er geen sprake is van voor zichzelf behaalde winst. In eerste instantie is het door en voor X behaalde winst en wat er vervolgens met die winst gebeurt, is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van het oogmerk om materieel voordeel voor zichzelf te behalen. Het voorgaande brengt mee dat X naar het oordeel van de kantonrechter een onderneming is in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Het door X gevoerde verweer dat zij niet voor eigen rekening en risico handelt slaagt gelet op het bovenstaande ook niet. Kortom, X kwalificeert als onderneming en handelt voor eigen rekening en risico. Dat brengt mee dat X onder het verplichtstellingsbesluit van Y valt. Immers, deze stelling van Y is voor het overige niet door X betwist. Daarom zal de vordering van X afgewezen worden.