Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 11 juli 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:5059

X/Y

Geen arbeidsovereenkomst tussen schipper en bevrachter binnenvaartschepen. Laatste heeft rechtsvermoeden ex artikel 7:610a BW effectief ontzenuwd.

Feiten

Y is een onderneming die zich bezighoudt met het bevrachten van binnenvaartschepen. X heeft met verschillende schepen in verschillende perioden vrachten vervoerd. Nadat X vermoedde dat hij te weinig betaald kreeg, heeft hij een onderzoek door een externe laten verrichten. Dit onderzoek bevestigde zijn vermoeden. X spant een procedure aan tegen Y en vordert het te weinig betaalde bedrag. Vervolgens, na wijziging van eis, vordert hij een verklaring voor recht dat hij werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst en stelt een loonvordering in.

Oordeel

Klachtplicht

Y betwist gemotiveerd dat X niet tijdig heeft geklaagd over onjuiste berekeningen. De kantonrechter is van oordeel dat in het midden kan worden gelaten of X over de in het geding zijnde facturen tijdig heeft geklaagd. De klachtplicht zoals opgenomen in artikel 6:89 BW is namelijk niet van toepassing op een factuur omdat het toezenden van een factuur niet geldt als een prestatie als bedoeld in voormeld artikel.

Wie zijn contractspartijen?

In het geding speelt de vraag wie de contractspartijen zijn geweest van X. Het gaat in totaal om ongeveer tien mogelijke wederpartijen; het betreft immers een vordering over een periode van ongeveer vijf jaar. De kantonrechter stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag wie contractspartij is, het aankomt op wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. Daarnaast stelt de kantonrechter voorop dat niet doorslaggevend is wiens namen op de facturen worden vermeld, maar dat ook naar andere omstandigheden dient te worden gekeken (bijvoorbeeld of sprake is van een stroman).

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

De kantonrechter vervolgt met beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. De namen vertegenwoordigen de namen van schepen waarop X in een bepaalde periode werkzaamheden heeft verricht. Ten aanzien van naam 4 is niet in geschil dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht, zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan. Wel is tussen partijen in geschil of er ten aanzien van naam 1, naam 3 en naam 2 een overeenkomst heeft bestaan die gekwalificeerd dient te worden als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht. Gebleken is dat X gedurende een periode van meer dan drie maanden tegen beloning arbeid voor Y heeft verricht. Op grond van artikel 7:610a BW bestaat daarom het rechtsvermoeden dat X de arbeid krachtens een arbeidsovereenkomst heeft verricht. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat partijen bij het maken van de afspraken met betrekking tot de werkzaamheden voor naam 1, naam 3 en naam 2 een arbeidsovereenkomst hebben beoogd. Zo stelt X bij dagvaarding uitdrukkelijk dat sprake is van een overeenkomst van opdracht en grondt hij zijn vordering pas bij akte van 19 september 2017 op een arbeidsovereenkomst, zonder daarbij feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen volgen dat partijen beoogd hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of geen sprake is van een zodanige feitelijke uitvoering van de overeenkomst dat toch een arbeidsovereenkomst moet worden aangenomen, niettegenstaande de hiervoor vastgestelde partijbedoeling. Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat het de bedoeling van partijen was dat X de werkzaamheden persoonlijk zou verrichten. Het rechtsvermoeden ten aanzien van dit vereiste is dan ook niet ontzenuwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gesteld en gebleken dat tussen partijen een gezagsverhouding bestond die verder strekte dan een relatie van opdrachtgever en opdrachtnemer. X stelt weliswaar dat Y bepaalde wanneer hij met naam 1, naam 3 en naam 2 voer en dat Y de route bepaalde, maar dit valt binnen de aanwijzingsbevoegdheid van een opdrachtgever. Overigens heeft X onweersproken gesteld dat er feitelijk steeds maar één vaarroute was, zodat het de vraag is of er sprake was van een echte aanwijzing. Verderstrekkende instructies van Y over de wijze waarop X zijn werkzaamheden diende uit te oefenen of gevoerde functioneringsgesprekken zijn niet gesteld of gebleken. Vaststaat dat de beloning aan X plaatsvond door prijsafspraken waarvoor btw-facturen werden gestuurd en dat er geen afdracht met loonbelasting en sociale verzekeringspremies heeft plaatsgevonden. Ook is er een afspraak gemaakt dat X zou bijdragen in bepaalde kosten. Verder is niet gesteld of gebleken dat X bij ziekte werd doorbetaald, vakantiegeld kreeg en vakantiedagen had. De feitelijke uitvoering van de overeenkomst spoorde in dat opzicht niet met het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het feit dat X niet betrokken was bij de prijsafspraken die Y met derden over de vrachten maakte en dat de vergoeding van X van die afspraken afhing, wijst naar het oordeel van de kantonrechter feitelijk niet op een arbeidsovereenkomst. Ter zitting is namelijk gebleken dat X ervan uitging dat Y met derden marktconforme afspraken maakte en het was dan ook zijn keuze om dat aan Y over te laten. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat Y het hiervoor bedoelde rechtsvermoeden voldoende heeft ontzenuwd.