Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 september 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3326
werknemer/Stichting CREA
Feiten
Beoordeeld dient te worden of tussen partijen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en zo ja, of die arbeidsovereenkomst per 31 mei 2015 dan wel 1 juni 2015 door partijen met wederzijds goedvinden is beëindigd dan wel per brief van 25 juni 2015 door CREA kennelijk onredelijk is opgezegd tegen 1 juli 2015 op grond van het gevolgencriterium als bedoeld in artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW (oud).
Oordeel
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat werknemer (ook) in de periode van 15 juni 2010 tot en met 1 juli 2010 werkzaamheden heeft verricht onder gezag van CREA en tegen betaling van loon, en dat daarmee is voldaan aan alle vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De consequentie van de door werknemer in deze periode verrichte arbeid is dat, uiterlijk per 1 februari 2011, tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan doordat meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, en de laatste arbeidsovereenkomst, die is aangegaan in februari 2011, geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd ingevolge het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 aanhef en sub b BW (oud). Niet gesteld of gebleken is dat deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd nadien op enig moment vóór de eerste helft van 2015 rechtsgeldig is geëindigd. Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 31 mei 2015 dan wel 1 juni 2015 is geëindigd. Dan is de vraag aan de orde of de arbeidsovereenkomst bij brief van 25 juni 2015 door CREA kennelijk onredelijk is opgezegd gelet op het gevolgencriterium als bedoeld in artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW (oud). Naar het oordeel van het hof heeft werknemer in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat zijn kansen op de arbeidsmarkt gezien zijn ten tijde van de opzegging reeds aanwezige gezondheidsproblemen, mede in aanmerking genomen zijn leeftijd, minst genomen zeer beperkt waren. Daar staat tegenover dat CREA zich geplaatst zag voor een situatie waarin diverse omstandigheden het noodzakelijk maakten om te bezuinigen op de kosten. De beslissing om medewerkers, onder wie werknemer, te ontslaan en voortaan te gaan samenwerken op basis van overeenkomsten van opdracht, is daarom begrijpelijk vanuit het oogpunt van CREA. Minder redelijk is het echter dat CREA kennelijk niet heeft overwogen om de gevolgen voor werknemer van dat ontslag enigszins te verzachten. Van enige inspanning om werknemer naar ander werk te (laten) begeleiden is niet gebleken. Evenmin heeft CREA enige financiële compensatie geboden voor het redelijkerwijs te verwachten gevolg dat werknemer er in de loop der jaren in inkomen op achteruit zou gaan. Dat klemt temeer nu werknemer bijzonder lang in dienst is geweest van CREA. Het tekortschieten van CREA in haar verplichtingen als goed werkgever op deze punten maakt de opzegging naar het oordeel van het hof kennelijk onredelijk. Dan dient te worden beoordeeld of aan werknemer een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW (oud) dient te worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag. Bij de beantwoording van de vraag welke vergoeding in geval van kennelijk onredelijk ontslag billijk is, dienen alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in aanmerking te worden genomen. Met inachtneming van deze maatstaf acht het hof een bedrag van € 3.000 bruto redelijk. De grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.