Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19 september 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:4443
werkgeefster/werkneemster
Feiten
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis in conventie beslist dat werkneemster (advocaat) onder meer met betrekking tot het meenemen van cliënten aan werkgeefster € 17.845,12 dient te voldoen. In reconventie heeft de kantonrechter de loonvorderingen van werkneemster in beginsel toegewezen. Nu resteert nog de beoordeling van de vraag of en zo ja, in hoeverre werkneemster recht heeft op betaling van de door de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: RvR) op de rekening-courant van werkgeefster gestorte toevoegingsvergoedingen, die door de RvR van werkneemster zijn teruggevorderd en door haar via verrekening aan de RvR zijn terugbetaald. Het betreft een bedrag van € 16.331,84.
Oordeel
De kantonrechter stelt ten eerste vast dat werkgeefster niet betwist dat zij de vergoedingen van in totaal € 16.331,84, heeft ontvangen op haar rekening-courant bij de RvR. Het eerste verweer van werkgeefster komt, samengevat, erop neer dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van een verarming van werkneemster. Met betrekking tot dit verweer overweegt de kantonrechter het volgende. Het staat vast dat werkgeefster de vergoedingen op deze toevoegingen heeft ontvangen. Het staat ook vast dat werkneemster de vordering van de RvR van € 16.331,84 aan de RvR door middel van verrekening heeft betaald. Voorts staat vast dat werkneemster de door werkgeefster ontvangen bedragen niet onder zich heeft gekregen. Het staat tevens vast dat de door werkgeefster ontvangen bedragen achteraf bezien ten onrechte door de RvR zijn betaald op de rekening-courant van werkgeefster. Hierdoor staat vast dat werkgeefster € 16.331,84 onder zich heeft, welk bedrag zij niet had mogen ontvangen, terwijl werkneemster dat bedrag aan de RvR heeft moeten terugbetalen. Daarmee is sprake van een ongerechtvaardigde (want onjuist gebleken) verrijking van werkgeefster en van een verarming voor hetzelfde bedrag van werkneemster. De kantonrechter overweegt dat de verarming van werkneemster door werkgeefster ongedaan gemaakt moet worden. Dat is ook redelijk. Werkgeefster had immers geen recht op dat geld dat zij wel heeft ontvangen en onder zich heeft, terwijl werkneemster genoemd bedrag heeft afgedragen (of zij nu wilde of niet) uit haar eigen vermogen, zonder dat werkgeefster haar daarvoor compenseert. Werkneemster is dan ook gerechtigd haar betalingsverplichting jegens werkgeefster tot het beloop van € 16.331,84 te verrekenen. Het door partijen gevoerde debat over de vraag of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid (dat zou moeten worden geplaatst in het licht van art. 7:661 BW) doet niet ter zake.