Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 23 oktober 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:4333
Stichting/X
Feiten
De stichting exploiteert een dorpshuis. De stichting was in het najaar 2015 op zoek naar een nieuwe beheerder van het dorpshuis. Partijen zijn naar aanleiding van deze vacature met elkaar in gesprek gekomen. Tijdens een aantal gesprekken is inhoudelijk over de functie van beheerder gesproken. Aan het eind van het gesprek heeft het bestuur van de stichting aan X toegezegd dat hem een arbeidscontract zou worden toegestuurd. Dit is op 27 november 2015 toegestuurd. X had vragen en opmerkingen bij de hem toegezonden arbeidsovereenkomst. Op 30 november 2015 heeft een derde gesprek plaatsgevonden. Er is een nieuwe afspraak gemaakt voor 7 december 2015. Op 1 of 2 december 2015 heeft er een interview plaatsgevonden van de stichting met een dagblad. Aan het slot van het artikel wordt gewag gemaakt van het vertrek van bestuurder 1 en de opvolging door X. Bij brief van 18 december 2015 heeft bestuurder 2 aan X onder meer geschreven dat het bestuur er onvoldoende vertrouwen in heeft dat X de functie van beheerder op de gewenste wijze zal invullen en dat ze de procedure niet verder met X zullen voortzetten. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de onderhandelingen werden afgebroken op het moment dat X het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gehad en heeft mogen hebben dat een overeenkomst tot stand zou komen en dat hij daarom recht heeft op vergoeding van 6 maanden gederfd loon. De stichting komt in hoger beroep.
Oordeel
Het hof komt, evenals de kantonrechter, tot de slotsom dat niet is bewezen dat tijdens de bijeenkomst op 30 november 2015 mondeling overeenstemming is bereikt over een arbeidsovereenkomst. Dat op 30 november 2015 zou zijn besproken dat de bijeenkomst van 7 december 2015 slechts zou dienen voor de ondertekening van de arbeidsovereenkomst is evenmin komen vast te staan. Tegen deze achtergrond mocht X bovendien aan de uitnodiging van bestuurder 3 om bij het interview met het dagblad op 1 of 2 december aanwezig te zijn redelijkerwijs niet de betekenis toekennen dat hierin (alsnog) een aanbod van het bestuur tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst besloten lag. Het enkele feit dat tijdens het gesprek van 30 november 2015 zou zijn gezegd dat het contract zou worden aangepast, impliceert niet dat X er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het hier een contract voor 6 maanden zonder een proeftijd- en concurrentiebeding zou betreffen. Het contract dat hem eerder was toegezonden was een 'praatstuk' en in het gesprek van 30 november heeft het bestuur van de stichting zich niet uitgelaten over de vraag hoe het contract zou worden aangepast. Eerst na aanpassing zou er een aanbod tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst aan X worden gedaan. Het hof voegt hieraan toe dat uit bovenstaande overwegingen ook volgt dat tijdens de bijeenkomst op 30 november 2015 evenmin een 'romp'-overeenkomst tot stand is gekomen, omdat niet is gebleken dat partijen op essentiƫle onderdelen overeenstemming hebben bereikt. Wat betreft het afbreken van de onderhandelingen overweegt het hof als volgt. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat X na afloop van de bijeenkomst op 30 november 2015 niet gerechtvaardigd het vertrouwen mocht hebben dat een arbeidsovereenkomst tot stand zou komen, laat staan dat dat geheel op zijn voorwaarden zou gebeuren. Hij mocht er immers toen niet gerechtvaardigd van uitgaan dat het bestuur tot zijn komst had besloten. De gebeurtenissen na 30 november 2015 werpen naar het oordeel van het hof geen ander licht op de zaak. Na het interview heeft tot 18 december 2015 geen overleg meer tussen partijen plaatsgevonden. Het is ook niet gebleken dat X daartoe initiatieven heeft genomen. Gezien dit alles mocht X naar het oordeel van het hof op 18 december 2015 niet gerechtvaardigd het vertrouwen hebben dat een arbeidsovereenkomst tot stand zou komen. Reeds op deze grond had ook de vordering, gebaseerd op afgebroken onderhandelingen, moeten worden afgewezen.