Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 oktober 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:8489
werknemer/De Volksbank N.V.
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 februari 1999 bij de Volksbank, althans een van haar rechtsvoorgangsters, in dienst getreden. Laatstelijk bekleedde hij de functie van directeur van Regiobank. In verband met een reorganisatie van de managementstructuur is de functie van werknemer per 1 april 2018 vervallen. Partijen hebben eind december 2017 afgesproken dat de arbeidsovereenkomst van werknemer per 1 juli 2018 eindigt. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de voorwaarden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vraag aan de hand van welke regeling de ontslagvergoeding van werknemer berekend moet worden. De Volksbank stelt zich op het standpunt dat die ontslagvergoeding berekend moet worden aan de hand van het Sociaal Kader, welke regeling resulteert in een vergoeding van € 162.511,01 bruto. Werknemer daarentegen stelt zich primair op het standpunt dat de vergoeding berekend moet worden aan de hand van het Oude Sociaal Plan, hetgeen betekent dat hij recht heeft op een vergoeding van € 385.976 bruto. Subsidiair berekent werknemer de ontslagvergoeding op basis van het Nieuwe Sociaal Plan en in die visie heeft hij recht op een ontslagvergoeding van € 289.482 bruto. Partijen hebben de kantonrechter gezamenlijk verzocht het tussen hen gerezen geschil ten aanzien van de hoogte van de ontslagvergoeding te beslechten.
Oordeel
De Volksbank heeft zich primair op het standpunt gesteld dat werknemer geen beroep toekomt op de Sociale Plannen, aangezien die Sociale Plannen kracht van cao hebben en werknemer geen lid is van een van de vakorganisaties die bedoelde Sociale Plannen hebben afgesloten. Dat verweer mist naar het oordeel van de kantonrechter doel. Terecht heeft werknemer gesteld dat door het incorporatiebeding dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen de cao-bepalingen inclusief de Sociale Plannen onderdeel zijn gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Vervolgens dient beoordeeld te worden of werknemer valt onder de werkingssfeer van een van de beide Sociale Plannen. De kantonrechter zal eerst beoordelen of het Oude Sociaal Plan van toepassing is. Aan de eerste voorwaarde voldoet werknemer, aangezien hij met de Volksbank een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft c.q. had. Voorts geldt dat werknemer alleen dan onder de werking van het Oude Sociaal Plan valt in het geval aangenomen moet worden dat het vervallen van zijn functie een gevolg is van het voorgenomen besluit in de zin van artikel 25 lid 1 WOR dat op 23 november 2016 voor advies aan de OR is voorgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Bovendien heeft de adviesaanvrager er geen enkele onduidelijkheid over laten bestaan dat op alle adviesaanvragen in het kader van Spot On niet het Oude Sociaal Plan, maar het nieuw af te sluiten Sociaal Plan vanaf 1 januari 2017 van toepassing is. Op grond van vorenstaande overwegingen concludeert de kantonrechter dat het Oude Sociaal Plan toepassing mist. Vervolgens dient beoordeeld te worden of werknemer valt onder de werkingssfeer van het Nieuwe Sociaal Plan. Voor de toepasselijkheid van het Nieuwe Sociaal Plan geldt dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft én dat de werknemer 'rechtstreeks valt onder de werkingssfeer van de cao'. Aan deze tweede voorwaarde voldoet werknemer niet. De cao is immers niet rechtstreeks op hem van toepassing omdat zijn functie is ingedeeld boven schaal 13 van het functiehuis. Dat partijen in de arbeidsovereenkomst een incorporatiebeding hebben opgenomen kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Een en ander betekent dat ook het Nieuwe Sociaal Plan in het geval van werknemer toepassing mist en dat dus geconcludeerd moet worden dat het Sociaal Kader op hem van toepassing is.