Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 september 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3493
ABN AMRO BANK N.V./werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 16 maart 1981 in dienst getreden bij ABN AMRO. Werkneemster is met ingang van 28 november 2014 boventallig verklaard wegens het verval van haar functie ten gevolge van een reorganisatie. Op de gevolgen van die reorganisatie is het Sociaal Plan van toepassing. Indien binnen 12 maanden geen nieuwe functie is gevonden wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd, waarbij een vergoeding wordt aangeboden van 75 procent van de hiervoor bedoelde stimuleringspremie. In paragraaf 5 is bepaald dat deze stimuleringspremie kan worden 'afgetopt'. De brutostimuleringspremie is niet hoger dan het brutosalaris tot de 'individuele pensioenleeftijd' van de werknemer, te weten de datum waarop deze op grond van de Pensioenregeling 2006 een pensioenuitkering zou krijgen gelijk aan de uitkering die de werknemer volgens de Pensioenregeling 2000 omstreeks de 62-jarige leeftijd zou hebben ontvangen. Voor werkneemster was die individuele pensioenleeftijd 62 jaar en twee maanden. Zij bereikte die leeftijd op 25 januari 2015. Met toestemming van de ABN AMRO Ontslagadviescommissie is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2016 opgezegd. Werkneemster heeft geen stimuleringspremie ontvangen omdat deze op grond van de aftoppingsregeling berekend werd op nihil. Zij ontvangt sedert 1 april 2016 een WW-uitkering en heeft nog geen aanspraak gemaakt op pensioen. Zij zal de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken op 25 oktober 2018. Werkneemster heeft de kantonrechter onder meer verzocht om ABN AMRO te veroordelen tot betaling van een ontslagvergoeding. De kantonrechter heeft overwogen dat de aftoppingsregeling van het sociaal plan in strijd is met de WGBL en derhalve nietig is en buiten toepassing moet blijven. Werkneemster heeft dus ingevolge het sociaal plan in beginsel aanspraak op de stimuleringspremie. Die voorziet weliswaar in een vrij riante vergoeding maar de vergoeding is in vergelijking tot de verzochte transitievergoeding niet zodanig riant dat er aanleiding bestaat de stimuleringspremie af te toppen. Daarom is toekenning van de stimuleringspremie, anders dan ABN AMRO had betoogd, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zo overwoog de kantonrechter. Tegen deze beslissing is ABN AMRO in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat de aftoppingsregeling wel degelijk direct onderscheid naar leeftijd maakt. Alle werknemers die hun individuele pensioenleeftijd bereiken, krijgen immers te maken met de aftoppingsregeling. Onderzocht moet worden of de onderhavige aftoppingsregeling een legitiem doel dient en of die regeling een passend en noodzakelijk middel is om dat doel te bereiken. Het hoofddoel van het sociaal plan is volgens ABN AMRO het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen. Door de aftopping blijven de financiële gevolgen van de reorganisatie voor ABN AMRO en het personeel dat in dienst blijft, beperkt. Voorts worden de beschikbare middelen eerlijk en rechtvaardig verdeeld onder de bij het ontslag betrokkenen en wordt het economisch nadeel van de werknemers die hun baan verliezen, in het bijzonder de achteruitgang in inkomen, zo veel mogelijk beperkt. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat zulks inderdaad het geval is, met daarbij de ook door de kantonrechter gemaakte kanttekening dat het doel zo algemeen is geformuleerd dat het ruimte laat voor een scala aan middelen om dat doel te bereiken. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de aftoppingsregeling geen passend en noodzakelijk middel is om het door ABN AMRO geformuleerde doel te bereiken. Door de aftoppingsregeling worden oudere werknemers die een lang dienstverband hebben zonder aanwijsbare noodzaak onevenredig hard getroffen. Zij missen, indien zij geen ander werk vinden, in die jaren in ieder geval dertig procent van hun inkomen, terwijl ook hun pensioen niet verder wordt opgebouwd. Anders dan ABN AMRO stelt, hebben de werknemers van wie de stimuleringspremie wordt afgetopt, dus wel degelijk nadeel van de regeling. Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat met de omstreden aftoppingsregeling een verboden onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt. Dat betekent dat de desbetreffende bepaling op grond van artikel 13 WGBL nietig is, zoals de kantonrechter ook heeft geoordeeld. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter onaanvaardbaar als werkneemster doordat zij de volledige stimuleringspremie ontvangt waarop zij ingevolge het sociaal plan recht heeft, meer inkomen zou ontvangen dan hetgeen waarop zij recht had gehad als zij tot 1 oktober 2018, haar pensioenleeftijd, was blijven werken. Haar vordering is daarom slechts toewijsbaar voor zover zij ten gevolge van het ontslag door ABN AMRO en in aanmerking nemende de haar toegekende WW-uitkering, inkomen derft tot haar AOW-leeftijd en pensioenschade lijdt als gevolg van het feit dat zij verdere pensioenopbouw mist tot die leeftijd. Aangezien partijen blijkens hun stukken van mening verschillen over de hoogte van het bedrag waarop werkneemster aanspraak kan maken, dienen zij zich daarover bij akte uit te laten. In dit verband overweegt het hof thans reeds dat werkneemster geen recht heeft op de door haar subsidiair verzochte transitievergoeding omdat in het sociaal plan een regeling is opgenomen voor een gelijkwaardige voorziening bij ontslag als bedoeld in artikel 7:673b lid 1 BW. Dat die regeling een aftopping kent en de transitievergoeding in beginsel niet, maakt de regeling niet niet-gelijkwaardig. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.