Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 november 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:9097
Werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is sinds 1 december 2013 in dienst bij werkgeefster, die zich richt op transport, opslag en distributie van goederen. Werkneemster werkte 38,5 uur, en sinds 1 februari 2016 30,8 uur; vanaf deze datum ontvangt zij ook reiskostenvergoeding. Werkgeefster meent dat werkneemster haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 juni 2018. Werkneemster betwist dat. Zij heeft op 9 april 2018 slechts in een gesprek met (een medewerker) van werkgeefster aangegeven dat zij overwoog het bedrijf te verlaten. Volgens werkneemster is niet voldaan aan de vereisten die de Hoge Raad stelt aan een opzegging van een werknemer. Werkneemster vordert loon vanaf 1 juni 2018 tot de arbeidsovereenkomst rechtmatig is geëindigd. Werkgeefster voert verweer en meent dat werkneemster geen spoedeisend belang heeft en meent dat zij de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd en om deze reden geen recht heeft op loon vanaf 1 juni 2018.
Oordeel
Nu het gaat om een loonvordering is de spoedeisendheid van de zaak voldoende aannemelijk. De vraag die aan de orde is, is of werkneemster zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Volgens vaste rechtspraak geldt een strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen. Op grond van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat werkneemster haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en er per 1 juni 2019 een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen. Om hierover uitsluitsel te geven is nader onderzoek naar de feiten nodig, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Het verzoek van werkneemster wordt afgewezen.