Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Noordersluis
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 27 november 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:10330

werknemer/Noordersluis

Werknemer stelt hoger beroep in tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat het ontslag leidt tot onevenredig hoge pensioenschade (oud ontslagrecht: kennelijk onredelijk ontslag). Het hof oordeelt dat, hoewel er een substantieel verlies aan ouderdomspensioen is, de balans ten voordele van werkgever doorslaat. Hierbij weegt het hof in het bijzonder mee dat werk en salaris door werknemer behouden zijn, doordat hij direct aansluitend aan het ontslag een nieuwe baan had.

Feiten

Werknemer is in 2000 in dienst getreden bij Noordersluis. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Bouwbedrijf van toepassing verklaard. Noordersluis heeft met het Centraal Veterinair Instituut (CVI) een ‘onderaannemingsovereenkomst Uitleenpersoneel’ gesloten. Werknemer werd gedetacheerd bij CVI. Op 30 september 2011 heeft Noordersluis voor enkele werknemers, onder wie werknemer, een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV op grond van reorganisatie. Werknemer heeft verweer gevoerd, maar de vergunning is door het UWV op 23 november 2011 verleend en de arbeidsovereenkomst van werknemer is opgezegd tegen 6 april 2012. Werknemer is aansluitend aan het ontslag in dienst getreden bij Nijkamp en wederom gedetacheerd bij CVI in een andere functie. Op deze arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek van toepassing. Werknemer meent dat het aan hem gegeven ontslag door Noordersluis kennelijk onredelijk was en heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 197.550,87. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Werknemer stelt hoger beroep in tegen het oordeel van de rechter dat niet is gebleken dat het ontslag leidt tot onevenredig hoge pensioenschade.

Oordeel

Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW (oud) zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Werknemer bouwde bij Noordersluis pensioen op bij Bpf Bouw, na ontslag heeft hij pensioen opgebouwd bij Bpf PMT. Op verzoek van het hof is in kaart gebracht of, en zo ja welk, pensioennadeel hierdoor voor werknemer optreedt. Uit de rapporten blijkt dat werknemer een lager (naar verwachting 27% minder) pensioen gaat genieten dan hij had gehad als hij bij Noordersluis in dienst was gebleven. De vraag is aldus of het ontslag, dat plaatsvond zonder enige compensatie voor dit pensioenverlies, als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd. Het hof oordeelt dat als onvoldoende weersproken kan worden aangenomen dat de financiële ruimte ontbrak bij Noordersluis voor het maken van een sociaal plan of het toekennen van een individuele ontslagvergoeding. Daarnaast stelt het hof vast dat werknemer weliswaar minder pensioen opbouwt, maar hij minder pensioenpremie betaalt en daarnaast meer verdient bij Nijkamp. Het meest ingrijpende gevolg, verlies van werk en inkomen, is voor werknemer bovendien uitgebleven. Hoewel de salarisverbetering en de lagere pensioenpremie zich hebben voorgedaan na ontslagdatum, mag daarmee wel rekening worden gehouden, omdat deze per ontslagdatum redelijkerwijs konden worden verwacht. De weging van al deze factoren, maar in het bijzonder het gegeven dat werk en salaris door werknemer behouden zijn, maakt dat de balans uiteindelijk ten voordele van Noordersluis doorslaat. Van een kennelijk onredelijk ontslag was geen sprake. Het hof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter.