Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 februari 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:1841

werknemer/werkgeefster

Vordering tot voeging (art. 222 Rv) toegewezen. Het betreft twee zaken die tegelijk voor dezelfde rechter, tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp aanhangig zijn.

Feiten

Werknemer is met ingang van 1 november 2001 bij (de rechtsvoorganger van) werkgeefster in dienst getreden. Partijen zijn toen een relatiebeding overeengekomen. Werknemer heeft op enig moment zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2016 en heeft zich per die datum als zelfstandig advocaat gevestigd. Nadien is tussen partijen een geschil ontstaan over de uitleg van en gebondenheid aan het relatiebeding. In eerste aanleg heeft de kantonrechter het relatiebeding gedeeltelijk vernietigd en tevens voor recht verklaard dat werknemer gehouden is tot betaling van de contractueel overeengekomen gefixeerde goodwillvergoeding. Beide partijen zijn hiertegen in hoger beroep gekomen. Het door werknemer ingestelde hoger beroep is bij dit hof in behandeling onder zaaknummer 200.243.610 (onderhavige zaak) en dat van werkgeefster onder zaaknummer 200.231.746. Werkgeefster heeft op grond van het bepaalde in artikel 222 Rv voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.231.746.

Oordeel

Het hof stelt vast dat de zaken tegelijk voor dezelfde rechter, tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp aanhangig zijn. In beide zaken is reeds van antwoord gediend en is nog geen inhoudelijke beslissing genomen in de hoofdzaak. In de zaak met zaaknummer 200.231.746 heeft werkgeefster mondeling pleidooi gevraagd. De zaak is op de rol van 4 juni 2019 geplaatst voor beslissing van het hof over de verdere voortgang. In de onderhavige zaak heeft werkgeefster op de roldatum van 29 januari 2019 aan de griffie van dit hof meegedeeld dat zij, indien het hof zal beslissen dat onderhavige procedure voor (eind)arrest op de rol komt te staan, de gelegenheid wenst te krijgen alsnog een mondeling pleidooi te vragen. Wanneer dit verzoek door werkgeefster wordt gedaan, zal het hof ook in deze zaak dienen te beslissen over de verdere voortgang. De voortgang van onderhavige procedure zal door de voeging derhalve, in tegenstelling tot hetgeen werknemer heeft aangevoerd, niet onnodig worden vertraagd. Bovendien is het gelet op het belang om uiteenlopende beslissingen te vermijden, nu beide zaken hetzelfde geschil betreffen, wenselijk de zaken gevoegd te behandelen. De vordering tot voeging wordt toegewezen.