Naar boven ↑

Rechtspraak

[X] Adviesgroep B.V./werkneemster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 februari 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:494

[X] Adviesgroep B.V./werkneemster

Niet is vast komen te staan dat werkneemster zich geld heeft toegeëigend, noch dat zij te kwader trouw geld heeft achtergehouden. Ontslag op staande voet is niet geldig. Toekenning van billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding voor onregelmatige opzegging.

Feiten

Werkneemster was sinds 1 juni 2002 in dienst van werkgeefster. In 2012 hebben partijen afgesproken dat de zorgpremie van werkneemster vanaf 2013 via de rekening-courantverhouding tussen werkgeefster en Avéro zou worden voldaan en werkneemster maandelijks de zorgpremie cash zou terugbetalen. In 2015 heeft werkneemster Avéro verzocht om in het vervolg de zorgpremie rechtstreeks bij haar te incasseren. Avéro heeft vervolgens het door werkneemster verschuldigde bedrag aan zorgpremie over 2015, een bedrag van € 3.264,14, op de privérekening van werkneemster gestort. Dit bedrag had Avéro aan werkgeefster moeten betalen, nu dit bedrag eerder via haar rekening-courant was voldaan. Op 27 december 2017 hebben partijen gesproken over de afwikkeling van de pensioenvoorziening en over het door werkneemster aan werkgeefster te betalen bedrag aan achterstallige zorgpremies. Werkgeefster heeft vervolgens per e-mail d.d. 28 december 2017 aan werkneemster kenbaar gemaakt dat zij door de gang van zaken het vermoeden hadden dat werkneemster onrechtmatig en te kwader trouw geld van werkgeefster had achtergehouden en heeft voorgesteld te praten over een beëindiging van het dienstverband. Werkneemster werd op non-actief gesteld. Werkneemster heeft aangegeven dat er geen reden was om haar op non-actief te stellen en dat er geen grond was voor een ontslag op staande voet. Werkgeefster heeft kenbaar gemaakt dat naar aanleiding van het door haar verrichte onderzoek omtrent de nog door werkneemster verschuldigde achterstallige zorgpremies was besloten om het dienstverband van werkneemster per direct te beëindigen. Werkneemster heeft de gestelde redenen voor ontslag op staande voet nadrukkelijk van de hand gewezen. Werkneemster heeft in eerste aanleg onder meer de transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding verzocht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden en de arbeidsovereenkomst derhalve niet rechtsgeldig is beëindigd. Behoudens de gevorderde billijke vergoeding zijn de verzoeken van werkneemster toegewezen. Werkgeefster komt op tegen dit oordeel.

Oordeel

Werkgeefster heeft als redenen voor het ontslag op staande voet genoemd: het zich onrechtmatig toe-eigenen en te kwader trouw achterhouden van geld. Gelet op deze formulering heeft te gelden dat deze twee gedragingen, bij elkaar genomen, de dringende reden vormen. Niet kan worden vastgesteld dat werkneemster zich onrechtmatig geld heeft toegeëigend. Het geld is door werkneemster op haar privérekening ontvangen, maar niet is vast komen te staan dat zij hiertoe opdracht heeft gegeven. Nu dit deel van de dringende reden niet vast is komen te staan, is geen sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag. Het hof overweegt (ten overvloede) nog dat het te kwader trouw achterhouden van het geld ook geen dringende reden oplevert, nu het op de privébankrekening van werkneemster gestorte bedrag eenvoudig in het boekhoudsysteem van werkgeefster was terug te vinden en werkneemster kennelijk geen pogingen had gedaan om de voor Avéro gemaakte fout te verhullen.

Vergoedingen

Werkneemster heeft in incidenteel appèl toekenning van een billijke vergoeding verzocht. Het hof acht het aannemelijk, mede gezien de verwijten die partijen elkaar over en weer hebben gemaakt, dat de arbeidsovereenkomst wegens het bestaan van een redelijke grond in het voorjaar van 2018 door de kantonrechter zou zijn ontbonden. Het hof acht daarom toekenning van een billijke vergoeding aangewezen voor een bedrag dat overeenkomt met het loon gedurende de periode vanaf het onterecht gegeven ontslag op staande voet tot het moment dat uitspraak zou zijn gedaan op een door werkgeefster in te dienen verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, door het hof in dit geval geschat op een periode van vier maanden. Dat werkneemster tevens recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding lijdt niet tot een ander oordeel, omdat het voor rekening en risico van werkgeefster komt dat zij werkneemster onterecht op staande voet heeft ontslagen.