Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 12 maart 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:2234
X c.s./werkneemster
Feiten
X en Y waren vennoten van Autra Payrolling en Detachering V.O.F. (hierna: Autra). Werkneemster is 2 september 2013 in dienst getreden bij Autra op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. Nadat de arbeidsovereenkomst tweemaal verlengd is, is deze geëindigd op 31 augustus 2016. Autra is per 4 maart 2016 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en voortgezet door een eenmanszaak onder een andere naam. Per 18 februari 2015 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. X en Y hebben over het eerste ziektejaar 90 procent van het gemiddelde loon over de 13 weken voorafgaande aan de ziektemelding doorbetaald en in het tweede ziektejaar 70 procent daarvan. Werkneemster heeft in eerste aanleg onder meer een bedrag van € 10.709,23 aan achterstallig salaris gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten. De kantonrechter heeft een bedrag van € 10.709,23 aan werkneemster toegekend, vermeerderd met een gematigde wettelijke verhoging van 10 procent, en een bedrag van € 2.030,40 per vier weken vanaf periode 6. Daarnaast heeft de kantonrechter wettelijke rente toegewezen. Tegen dit oordeel keren X en Y zich in hoger beroep.
Oordeel
Partijen zijn verdeeld over de uitleg van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, dat ziet op de loondoorbetaling tijdens ziekte. Het artikel dient uitgelegd te worden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Gelet op de verwijzing naar minimum wettelijke voorschriften en de toevoeging 'ten hoogste', had werkneemster moeten begrijpen dat artikel 7 inhoudt dat gedurende het tweede ziektejaar mag worden volstaan met betaling van 70 procent van het loon. Partijen twisten verder over de arbeidsomvang. Werkneemster beroept zich op het rechtsgevolg van het door haar gestelde feit dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst in 2013 zijn overeengekomen dat zij 40 uur per week zou werken en dat die 40 uur uitgangspunt dient te zijn voor de loonbetalingsverplichting van X en Y. X en Y betwisten dat gemotiveerd, zodat het aan werkneemster is om dat feit nader te onderbouwen. Werkneemster heeft niet aan de ter zake op haar rustende stelplicht voldaan en zij zal op dit punt dan ook niet worden toegelaten tot bewijslevering. Nu niet is komen vast te staan dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst in 2013 hebben afgesproken dat werkneemster 40 uur per week zou werken, komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of zich de in de parlementaire geschiedenis van artikel 7:610b BW omschreven situatie voordoet, dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur. Tussen partijen staat vast dat zij meerdere schriftelijke arbeidsovereenkomsten hebben gesloten voor 32 uur per week. Voor wat betreft de daadwerkelijk gewerkte uren kunnen de door werkneemster in eerste aanleg overgelegde vierwekenstaten tot uitgangspunt worden genomen. Op basis van die vierwekenstaten rijst het vermoeden dat de werkdagen van werkneemster tot week 49 van 2014 zijn geadministreerd op basis van 8 uur per dag en 40 uur per week. Het hof heeft, alvorens het in deze een beslissing kan nemen, behoefte aan een nadere toelichting van partijen op dit onderwerp, waarbij de vierwekenstaten als uitgangspunt worden genomen. Voor het geval het hof na voormelde voorlichting door partijen tot het oordeel komt dat uitgegaan dient te worden van een structurele arbeidsomvang van 40 uur per week, acht het hof zich voorts onvoldoende geïnformeerd over de omvang van de vordering aan achterstallig loon van werkneemster, meer in het bijzonder wat betreft de opbouw daarvan. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent de arbeidsomvang en de omvang van de vordering aan achterstallig loon. Partijen dienen voorafgaand aan de comparitie aanvullende informatie te verstrekken.