Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 februari 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:1468
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 4 juni 2007 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van afwasser. Op 25 maart 2018 heeft werknemer zich ziek gemeld. Blijkens het verslag van de bedrijfsarts is werknemer volledig uitgevallen, omdat hij met name beperkt is in bewegingen vanuit de schouder/arm. De bedrijfsarts ziet op dat moment geen mogelijkheden om te gaan werken. Nadien is werknemer meerdere keren gezien door de bedrijfsarts die nog altijd geen re-integratiemogelijkheden zag. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 6 juni 2018 volgt dat werknemer voor het eerst in staat wordt geacht re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Het door de bedrijfsarts opgemaakte opbouwschema is door werkgeefster besproken met werknemer. Hoewel werkgeefster werknemer diverse malen gesommeerd heeft re-integratiewerkzaamheden te verrichten, is werknemer niet op het werk verschenen. Op 12 juli 2018 is het loon van werknemer stopgezet. Werknemer is uiteindelijk op 18 september 2018 op staande voet ontslagen. De dringende reden die daaraan ten grondslag ligt, is dat werknemer – ondanks diverse waarschuwingen – geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om zich te melden bij werkgeefster om zijn re-integratiewerkzaamheden te starten, zulks conform het advies van de bedrijfsarts. Werknemer verzoekt de kantonrechter primair het ontslag op staande voet te vernietigen en werkgeefster te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 13 juli 2018 en tewerkstelling zodra hij hersteld is.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Het standpunt van werknemer dat de opzegging niet onverwijld is gedaan slaagt niet. Werkgeefster heeft terecht aangevoerd dat zij vanwege het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen op 12 juli 2018 eerst een loonstop heeft opgelegd aan werknemer. Ondanks herhaaldelijk verzoek om de re-integratiewerkzaamheden aan te vangen en een laatste waarschuwing op 13 september 2018, weigerde werknemer om gehoor te geven aan het dringende verzoek om op 17 september 2018 te starten met de re-integratiewerkzaamheden. Hij is vervolgens op 18 september 2018 op staande voet ontslagen. Van een gebrek aan voortvarendheid is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de dringende reden heeft werkgeefster aan het ontslag ten grondslag gelegd de weigering van werknemer om conform het advies van de bedrijfsarts zijn re-integratiewerkzaamheden te starten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de bedrijfsarts sinds 6 juni 2018 meerdere malen heeft vastgesteld dat werknemer in staat is re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Ondanks gesprekken met werknemer, schriftelijke waarschuwingen en een loonsanctie op 12 juli 2018 die doorliep tot aan het ontslag op staande voet, bleef werknemer hardnekkig weigeren re-integratiewerkzaamheden uit te voeren of een poging hiertoe te doen. Werknemer heeft daarmee zijn verplichtingen bij ziekte en re-integratie geschonden. Niet gebleken is dat werknemer geen mogelijkheden en/of beperkingen had voor het verrichten van re-integratiewerkzaamheden. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag en wedertewerkstelling na herstel wordt dan ook afgewezen.
Transitievergoeding
In beginsel heeft werknemer geen recht op een transitievergoeding, omdat zijn handelen aangemerkt dient te worden als ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673 lid 7 sub c BW. Nu werkgeefster echter heeft erkend dat werknemer gedurende het dienstverband van 11 jaar zonder meer goed heeft gefunctioneerd, en gelet op de persoonlijke omstandigheden van werknemer, acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat werknemer in het geheel geen transitievergoeding zou ontvangen. De kantonrechter zal daarom aan werknemer een vergoeding toekennen van € 5.405,50 bruto, dat is de helft van de wettelijke transitievergoeding.