Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ISS Nederland B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19 december 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:16139

werknemer/ISS Nederland B.V.

Gelet op de verklaringen van de getuigen is niet komen vast te staan dat werkneemster in de uitoefening van haar werkzaamheden keukenspullen op haar hoofd heeft gekregen als gevolg waarvan zij schade heeft geleden.

Feiten

Werkneemster is sinds 2007 in loondienst van ISS. Op 19 november 2014 is werkneemster door ISS te werk gesteld bij AkzoNobel in Sassenheim. Werkneemster verrichtte aldaar werkzaamheden in de spoelkeuken waarbij zij de taak had vaatwasmachines in en uit te ruimen. Daar heeft zij diezelfde dag potten en pannen op het hoofd gekregen. Werkneemster heeft zich op 20 november 2014 bij haar huisarts gemeld vanwege een aantal klachten. Na 20 november 2014 heeft werkneemster niet meer gewerkt en inmiddels is zij volledig arbeidsongeschikt. Crawford heeft in opdracht van ISS onderzoek uitgevoerd naar het ongeval. Op 4 juli 2016 hebben medewerkers van Crawford de locatie bezocht. Op 8 augustus 2016 heeft zij haar rapport uitgebracht. ISS heeft de aansprakelijkheid afgewezen. Werkneemster verzoekt bij wijze van deelgeschil te bepalen dat ISS aansprakelijk is voor de (letsel)schade van werkneemster ontstaan als gevolg van het arbeidsongeval. Aan haar verzoek heeft werkneemster ten grondslag gelegd de stelling dat ISS niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Oordeel

Partijen twisten erover of werkneemster een ongeval is overkomen. Werkneemster heeft gesteld dat bij aankomst in de spoelkeuken de keukenspullen boven op het rek zijn gaan schuiven en van het rek zijn gevallen, dat zij uitgleed over de gladde vloer, ten val kwam en dat de vallende keukenspullen op haar lichaam en hoofd, met name nek en rug, terecht zijn gekomen. ISS heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat er weliswaar keukenspullen van het rek zijn gevallen, maar dat deze werkneemster niet geraakt hebben. Zij baseert deze stelling op de verklaringen van twee onder ede gehoorde getuigen. De twee getuigen die aanwezig waren toen de keukenspullen van het rek vielen en daarmee het incident hebben zien gebeuren waardoor zij uit eigen waarneming kunnen verklaren, verklaren dat er weliswaar keukenspullen van het rek zijn gevallen maar dat deze niet op werkneemster terecht zijn gekomen. Een van de twee getuigen heeft nog verklaard dat zich geen zware objecten op het rek bevonden omdat deze objecten, waaronder pannen, niet in die rekken worden vervoerd maar door medewerkers van AkzoNobel in een aparte spoelbak worden gezet. Beide getuigen reppen met geen woord over een gladde en/of natte vloer. Daar staat tegenover dat werkneemster zich de dag na het ongeval heeft gemeld bij haar huisarts. De huisarts heeft op basis van het verhaal van werkneemster vermeld dat zich de 19e november 2014 een pijnlijke bult bevond op het hoofd van verzoeker, maar heeft dit tijdens het consult de volgende dag niet zelf kunnen vaststellen. In het kader van artikel 7:658 BW dient een werknemer te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij of zij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn/haar werkzaamheden. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de getuigenverklaringen een doorslaggevende betekenis. De verklaringen van de getuigen die niet aanwezig waren toen de keukenspullen vielen, kunnen niet opwegen tegen de verklaringen van de getuigen die wel aanwezig waren toen de keukenspullen van het rek vielen. Daarnaast heeft werkneemster zich pas de dag na het ongeval gemeld bij de huisarts, hetgeen niet voor de hand ligt wanneer werkneemster – zoals zij stelt – een zware pan op haar hoofd heeft gekregen en waardoor er enige tijd verstreken is tussen het ongeval en het onderzoek door de huisarts. Gelet op de verklaringen van de getuigen, maar ook gelet op de mogelijke pre-existente klachten en overige oorzaken die tot de gestelde medische klachten hebben kunnen leiden dient het voor risico van werkneemster te komen dat er niet (vrijwel) direct een eerste medisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden. De slotsom is dan ook dat niet is komen vast te staan dat werkneemster in de uitoefening van haar werkzaamheden schade heeft geleden, zodat haar verzoek zal worden afgewezen.