Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 11 april 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:3352
werknemer/Saint-Gobain Abrasives B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 1981 bij Saint Gobain in dienst getreden. Op 25 april 2015 is werknemer wegens ziekte uitgevallen en op 20 maart 2017 heeft het UWV geoordeeld dat werknemer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering in de categorie 45-55 procent. Met ingang van 25 april 2017 heeft werknemer voor 50 procent zijn gebruikelijke werkzaamheden verricht. Op 2 mei 2017 heeft Saint Gobain bevestigd dat zijn FTE werd aangepast naar 0,5 FTE. Werknemer heeft aanspraak gemaakt op betaling van een pro rata transitievergoeding. Werknemer verzoekt bij beschikking Saint Gobain te veroordelen tot betaling van de gedeeltelijke transitievergoeding.
Oordeel
Het geschil spitst zich toe op de vraag of werknemer aanspraak kan maken op 50 procent van de transitievergoeding omdat zijn arbeidsovereenkomst met ditzelfde percentage is verminderd met ingang van 25 april 2017. Saint Gobain meent dat de vervaltermijn is verstreken. Werknemer stelt hiertegenover dat de vervaltermijn toepassing mist omdat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet. Indien de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, ook niet gedeeltelijk, bestaat er geen aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat Saint Gobain met succes een beroep kan doen op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub b BW. Voor het verleggen van de startdatum van de vervaltermijn naar de datum van de Kolombeschikking (waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat – kort gezegd – ook bij gedeeltelijke beëindiging aanspraak bestaat op een transitievergoeding) ziet de kantonrechter geen aanleiding nu daarvoor iedere juridische grondslag ontbreekt. De kantonrechter gaat verder met het beoordelen of de vervaltermijn in het onderhavige geval strijd oplevert met het goed werkgeverschap alsmede met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter acht het niet redelijk om werknemer tegen te werpen dat hij zich niet heeft gehouden aan de vervaltermijn. Werknemer wist niet of kon niet weten dat hij aanspraak kon maken op een transitievergoeding. Daarnaast begrijpt de kantonrechter uit de parlementaire geschiedenis dat de eindafrekening als een soort herinnering heeft te gelden. Nu de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, is dit achterwege gebleven. Deze situatie wijkt dan ook af van de in de parlementaire geschiedenis beschreven situatie en de wetgever heeft hier kennelijk geen rekening mee gehouden. Tot slot weegt de kantonrechter mee dat de werkgever in een betere positie komt te verkeren dan de werknemer, terwijl de werknemer zich wel geconfronteerd ziet met (enige) inkomensachteruitgang en daarin niet wordt gecompenseerd. De kantonrechter acht het, al deze omstandigheden tezamen in acht genomen, niet redelijk en billijk om werknemer het niet in acht nemen van de vervaltermijn tegen te werpen en hem op die grond de transitievergoeding naar rato van de beëindiging van het dienstverband te beëindigen.