Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Doeco B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 30 april 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:4554

werknemer/Doeco B.V.

Junior accountmanager die zijn werkgeefster over zijn in zijn agenda genoteerde afspraken heeft voorgelogen terecht op staande voet ontslagen.

Feiten

Werknemer is met ingang van 18 juni 2018 voor de duur van één jaar bij Doeco in dienst getreden als junior accountmanager binnen- en buitendienst. Tijdens een overleg met een collega op 10 december 2018 gaf werknemer te kennen dat hij die middag te Wateringen een klantbezoek had af te leggen. In zijn agenda bleken voor die middag twee klantbezoeken te zijn genoteerd, te weten het klantbezoek te Wateringen en een klantbezoek te Blaricum. Diezelfde dag rond 14:30 uur is werknemer vanuit het kantoor van Doeco vertrokken. Een collega is rond 15.15 uur vanuit dezelfde locatie vertrokken en is naar de woning van werknemer gereden. Bij hem in de straat heeft hij zijn auto zien staan, heeft hij hem uit zijn woning zien komen en hebben zij kort met elkaar gesproken. Op 11 december 2018 heeft de directeur van Doeco over dit voorval met werknemer gesproken. Hij heeft hem die dag op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt onder meer vernietiging van het ontslag op staande voet.

Oordeel

De stelling van werknemer dat hij eerst naar zijn huis is gereden om thuis oude, van Doeco afskomstige, voor de open haard bestemde pallets af te leveren, is niet aannemelijk. Het valt niet in te zien dat een vertegenwoordiger als werknemer vanuit Waddinxveen naar zijn woning rijdt (een in oostelijke richting af te leggen afstand van circa 42 kilometer) om vervolgens vanuit zijn woonplaats alsnog naar Wateringen te rijden (een in westelijke richting af te leggen afstand van circa 89 kilometer). Een dergelijke route is niet logisch. Bedrijf X heeft een verklaring afgelegd. Bij de waardering van die verklaring is van belang dat Doeco onbetwist heeft aangevoerd dat de eigenaar van bedrijf X een goede kennis of vriend is van werknemer. Doeco heeft daar niet ten onrechte de conclusie aan verbonden dat niet is uit te sluiten dat die verklaring 'pour les besoins de la cause' is opgemaakt. Van belang is voorts dat niet vaststaat dat werknemer in de middag van 10 december 2018 met oude pallets in zijn auto naar zijn woning is gereden, nu Doeco ter terechtzitting onbetwist heeft gezegd dat zij werknemer dit niet eerder heeft horen verklaren en de pallets van Doeco de pallets van Doeco zijn, zodat werknemer deze niet zonder haar toestemming, welke niet is gevraagd of gegeven, mag afvoeren. Ook heeft werknemer niet bevestigd dat hij de beschikking heeft over een open haard. Het is voorts niet gebleken dat de afspraak die werknemer in zijn agenda had genoteerd voor een klantbezoek te Blaricum, reëel was en dat hij daar op 10 december 2018 is geweest. Een en ander leidt tot de conclusie dat als vaststaand is aan te nemen dat werknemer op 10 december 2018, gedurende werktijd, van het werk is vertrokken en naar huis is gegaan en hij zijn werkgeefster, met zijn in zijn agenda genoteerde afspraken, heeft voorgelogen dat hij naar Wateringen en Blaricum moest, alwaar hij toen niet is geweest. Dit levert een dringende reden op voor zijn ontslag. Daarbij is van belang dat een werkgever als Doeco er in beginsel blindelings op moet kunnen vertrouwen dat een vertegenwoordiger de klantbezoeken aflegt die in zijn agenda zijn genoteerd, omdat het niet of lastig controleerbaar voor haar is of hij dat doet. Feiten en omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat in de gegeven omstandigheden anders is te oordelen, zijn niet (voldoende) gesteld of anderszins gebleken. De verzoeken van werknemer zijn daarom af te wijzen.