Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 23 april 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:3740

werknemer/werkgever

Kort geding. Werknemer ontvangt (gedeeltelijk) achterstallig loon vanwege verkeerde inschaling conform cao Beroepsgoederenvervoer. Voor de opgelegde boete van het Bundesamt für Güterverkehr is onvoldoende bewijs dat werkgever de meetregistratieapparatuur heeft aangepast.

Feiten

Werknemer is van 17 december 2018 tot en met 8 februari 2019 in dienst geweest van werkgever in de functie van medewerker transport (vrachtwagenchauffeur internationaal). De cao Beroepsgoederenvervoer is van toepassing. Werknemer heeft van het Bundesamt für Güterverkehr een boete ontvangen gedateerd op 18 maart 2018 voor een bedrag van € 476. Werknemer vordert onder meer dat de kantonrechter werkgever veroordeelt tot betaling van achterstallig loon, overuren, verlofdagen, reis- en verblijfkostenvergoeding alsmede het boetebedrag van € 476. Werknemer legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij door werkgever is ingeschaald in de verkeerde loonschaal en trede. Werknemer meent dat werkgever verantwoordelijk is voor de boete omdat werkgever de meetregistratieapparatuur op minder dan 18.000 kg had gezet, terwijl de vrachtauto meer dan 18.000 kg woog.

Oordeel

Het antwoord op de vraag of werknemer de betreffende arbeidsovereenkomst heeft ondertekend, kan in het midden blijven. De cao Beroepsgoederenvervoer is algemeen verbindend verklaard en van toepassing op werknemers die in de betreffende bedrijfstak actief zijn. De brief van FNV levert naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende bewijs van de juistheid van het betoog van werknemer op. De brief is – zo begrijpt de kantonrechter – op initiatief van werknemer opgesteld en legt daarmee – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – reeds weinig gewicht in de schaal ten aanzien van de juistheid van hetgeen daarin is opgenomen. Het vonnis van de kantonrechter van 14 november 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:10780) kan evenmin aan de bewijslevering door werknemer bijdragen aangezien daaruit niet blijkt dat de looninschaling ter discussie stond tussen partijen. Werknemer heeft geen verificatoir bewijs in het geding gebracht op basis waarvan het aantal ervaringsjaren blijkt – wat gezien de betwisting door werkgever op zijn weg had gelegen – of dat werknemer daadwerkelijk direct voorafgaand aan het dienstverband bij werkgever een loon ontving conform schaal D6. Op grond van bovenstaande overwegingen, en omdat in kort geding voor een nader onderzoek van feiten of omstandigheden geen plaats is, gaat de kantonrechter voorshands uit van het loon op basis van schaal D, trede 4, en zal de vordering overeenkomstig die schaalindeling worden toegewezen. Het door werknemer gestelde aantal overuren heeft werkgever ter zitting betwist. Nu partijen over en weer elkaars stellingen op dit punt betwisten, is niet op eenvoudige wijze het juiste aantal overuren vast te stellen. Daarvoor zal bewijslevering nodig zijn, waarvoor evenwel in deze procedure geen plaats is. Het door werknemer gevorderde bedrag aan niet-opgenomen verlofdagen is niet door werkgever betwist zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Volgens werknemer heeft werkgever de maatregistratieapparatuur op minder dan 18.000 kg gezet en heeft enkel de werkgever toegang tot deze apparatuur. Werkgever heeft daarentegen betoogd dat werknemer zelf ook toegang heeft tot de maatregistratieapparatuur en dat werknemer er zelf verantwoordelijk voor is dat deze juist is ingesteld. Op 21 januari 2019 is volgens werkgever een wijziging aangebracht in de apparatuur. Werknemer was toen onderweg zodat alleen hij die wijziging kan hebben aangebracht. Omdat partijen hun stellingen over en weer betwisten, is zonder nadere bewijslevering niet op eenvoudige wijze vast te stellen wie toegang had tot het kastje van de maatregistratieapparatuur en wie de wijziging heeft aangebracht, zodat ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.