Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 maart 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:3194
Werkneemster/Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep
Feiten
Werkneemster is op 13 februari 2009 bij Franciscus in dienst getreden, volgens de arbeidsovereenkomst in de functie van huisarts. Op 14 februari 2019 heeft Franciscus kenbaar gemaakt dat de functie van werkneemster, huisarts, kwam te vervallen. Franciscus heeft haar de functie van ANIOS aangeboden, met een lager salaris. Daarbij heeft Franciscus kenbaar gemaakt dat als werkneemster dit niet zou aanvaarden Franciscus genoodzaakt zou zijn de arbeidsovereenkomst te beëindigen en werkneemster in ieder geval vanaf 24 januari 2019 vrijgesteld zou zijn van werkzaamheden. Daarnaast heeft Franciscus een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV. Werkneemster vordert in onderhavige procedure onder meer om Franciscus te veroordelen haar in de gelegenheid te (blijven) stellen haar werkzaamheden als SEH-arts op de gebruikelijke wijze te blijven verrichten met het gebruikelijke salaris. Werkneemster stelt hiertoe dat hoewel in de arbeidsovereenkomst de functie van huisarts vermeld staat, zij vanaf het begin feitelijk werkzaam was in de functie van SEH-arts (met de specialisatie huisarts). Franciscus voert verweer en stelt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen een arts werkzaam op de SEH en een SEH-arts. Werkneemster voldoet niet aan de vereisten voor de functie van SEH-arts, aldus Franciscus.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid te worden gesteld de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW. Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil alleen de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de vrijstelling van werkzaamheden van werkneemster niet aan deze maatstaf. Franciscus heeft de vrijstelling van werkzaamheden rechtstreeks gekoppeld aan de afwijzing door werkneemster van het aanbod om definitief als ANIOS te worden geplaatst. Franciscus had werkneemster echter in de gelegenheid moeten stellen om verweer te voeren in de procedure bij het UWV. Het had werkneemster mogelijk moeten worden gemaakt om de uitslag van die procedure af te wachten vanuit een werkende situatie. De praktische bezwaren van Franciscus, waarbij zij aanvoert dat het doorwerken van werkneemster voor onduidelijkheid kan zorgen op de werkvloer, zijn onvoldoende gemotiveerd en wegen geenszins op tegen het belang van werkneemster om in afwachting van de uitslag van de UWV-procedure aan het werk te kunnen blijven. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter bieden de stellingen van werkneemster onvoldoende aanknopingspunten om er in dit kort geding van uit te gaan dat zij daadwerkelijk werkzaam was als SEH-arts. De vordering van werkneemster zal dan ook in die zin worden toegewezen, dat werkneemster in de gelegenheid moet worden gesteld om haar werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te verrichten.