Naar boven ↑

Rechtspraak

SF/Inspecteur van de Belastingdienst
Hof van Justitie van de Europese Unie, 8 mei 2019
ECLI:EU:C:2019:381

SF/Inspecteur van de Belastingdienst

Coördinatieverordening van toepassing ondanks werkzaam aan boord van derde-land-vlagstaat. Vangnetbepaling wijst lidstaat woonplaats werknemer aan.

Feiten

SF, een Lets staatsburger die in Letland woont, werkte van 13 augustus tot en met 31 december 2013 als steward voor Oceanwide Offshore Services B.V., een in Nederland gevestigde onderneming. SF verrichtte deze werkzaamheden op een onder de vlag van de Bahama’s varend schip, dat gedurende die periode boven het Duitse deel van het continentaal plat van de Noordzee voer. De Nederlandse belastingautoriteiten hebben SF voor het belastingjaar 2013 een aanslag voor de inkomensbelasting en de premies volksverzekeringen opgelegd. Nadat SF bezwaar had gemaakt tegen die aanslag, heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd voor zover SF daarin premieplichtig wordt verklaard voor de premies volksverzekeringen volgens het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen voor het tijdvak van 13 augustus tot en met 31 december 2013. De Hoge Raad der Nederlanden overweegt dat, hoewel de door SF gedurende de betrokken periode verrichte beroepswerkzaamheden niet kunnen worden geacht te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van een lidstaat van de Unie, er een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie bestaat, waardoor Verordening (EU) nr. 883/2004 in het onderhavige geval van toepassing is. Deze rechter overweegt ook dat SF binnen de personele werkingssfeer van die verordening valt. De situatie in het aanhangige geding, waarin de werkzaamheden in loondienst van de werknemer in kwestie worden verricht op een schip dat vaart onder de vlag van een derde staat, valt volgens de Hoge Raad der Nederlanden niet binnen de werkingssfeer van artikel 11, lid 3, sub a tot en met d, noch binnen die van artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) nr. 883/2004. De verwijzende rechter meent niettemin dat er voor de vaststelling welke wetgeving in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding de toepasselijke wetgeving is, twijfels zijn blijven bestaan over de uitlegging van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 883/2004. Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: 'De wetgeving van welke lidstaat wordt door verordening nr. 883/2004 aangewezen in een situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die (a) in Letland woont, (b) de Letse nationaliteit heeft, (c) in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever, (d) als zeevarende werkzaam is, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s, en (f) deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie?'

Oordeel

Het Hof van Justitie oordeelt als volgt.

Coördinatieverordening van toepassing ondanks werkzaam aan boord van derde-land-vlagstaat

In het onderhavige geval blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat SF gedurende de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst, te weten Letland, heeft behouden, terwijl hij als zeevarende werkzaam was voor een in een andere lidstaat – te weten Nederland – gevestigde werkgever, op een schip dat onder de vlag van een derde land buiten het grondgebied van de Europese Unie voer. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Unie verricht, niet volstaat om de toepassing van de regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers – en met name van Verordening (EU) nr. 883/2004 – uit te sluiten wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt (zie in die zin HvJ EU 19 maart 2015, Kik, C-266/13, ECLI:EU:C:2015:188, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens de rechtspraak van het Hof vloeit een voldoende nauwe aanknoping tussen de betrokken arbeidsverhouding en het grondgebied van de Unie met name voort uit het feit dat een burger van de Unie die in een lidstaat woont, is aangeworven door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming en voor rekening van die onderneming activiteiten verricht (HvJ EU 19 maart 2015, Kik, C-266/13, ECLI:EU:C:2015:188, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals de verwijzende rechter heeft overwogen, volgt hieruit dat, hoewel in het onderhavige geval de werkzaamheden van SF plaatsvonden buiten het grondgebied van de Unie, de betrokken arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt, aangezien SF gedurende de betrokken periode in Letland was blijven wonen en zijn werkgever in Nederland was gevestigd. Een situatie als aan de orde in het hoofdgeding moet derhalve worden geacht binnen de werkingssfeer van Verordening (EU) nr. 883/2004 te vallen, en de toepasselijke nationale wetgeving moet dientengevolge overeenkomstig de bepalingen van titel II van die verordening worden bepaald.

Vangnetclausule

Aangezien SF als zeevarende werkzaam is op een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart, valt hij niet onder de algemene regel van artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) nr. 883/2004, die voor zeelieden de wetgeving aanwijst van de lidstaat waarvan de vlag wordt gevoerd (zie in die zin HvJ EU 19 maart 2015, Kik, C-266/13, ECLI:EU:C:2015:188, punt 56). Uit de bewoordingen van artikel 11, lid 3, sub e, van Verordening (EU) nr. 883/2004 volgt dat 'voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats [geldt], onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten'. Zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in de punten 44 en 45 van zijn conclusie, zou een restrictieve uitlegging van artikel 11, lid 3, sub e, van Verordening (EU) nr. 883/2004, volgens welke de werkingssfeer van die bepaling zich beperkt tot enkel economisch niet-actieve personen, mogelijk ertoe leiden dat personen die niet onder de in de punten a tot en met d van dat artikel 11, lid 3, genoemde gevallen, noch onder die van andere bepalingen van Verordening (EU) nr. 883/2004 vallen, wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten. Derhalve moet artikel 11, lid 3, sub e aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op alle personen die niet in de punten a tot en met d van die bepaling zijn bedoeld, en niet alleen op degenen die economisch niet-actief zijn. Deze vaststelling wordt niet in twijfel getrokken door de door de Nederlandse regering ter terechtzitting aangevoerde omstandigheid dat bepaalde lidstaten de aansluiting van betrokkenen bij het nationale socialezekerheidsstelsel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat deze op hun grondgebied werkzaamheden in loondienst uitoefenen, waardoor de betrokkene in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding mogelijkerwijs niet bij een socialezekerheidsstelsel wordt aangesloten en geen sociale bescherming geniet. In het onderhavige geval blijkt immers niet uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de nationale wetgeving van de lidstaat van de woonplaats van de betrokkene in een dergelijke voorwaarde voorziet. In ieder geval blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het weliswaar aan elke lidstaat staat om in zijn wetgeving de voorwaarden vast te stellen voor het ontstaan van het recht op aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel, doch dat de lidstaten daarbij de geldende bepalingen van Unierecht in acht moeten nemen. In het bijzonder gelden de in Verordening (EU) nr. 883/2004 geformuleerde aanwijsregels dwingend voor de lidstaten, en kunnen de lidstaten dus niet zelf bepalen in hoeverre hun eigen wetgeving of die van een andere lidstaat van toepassing is (zie in die zin HvJ EU 25 oktober 2018, Walltopia, C-451/17, ECLI:EU:C:2018:861, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De voorwaarden voor het ontstaan van het recht op aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel mogen derhalve niet tot gevolg hebben dat personen op wie volgens verordening nr. 883/2004 een bepaalde wetgeving van toepassing is, buiten de werkingssfeer van deze wetgeving vallen (HvJ EU 25 oktober 2018, Walltopia, C-451/17, ECLI:EU:C:2018:861, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Conclusie

Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 3, sub e van Verordening (EU) nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een persoon zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst heeft behouden terwijl hij als zeevarende werkzaam is voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, op een schip dat buiten het grondgebied van de Unie en onder de vlag van een derde land vaart, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, waardoor de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van die persoon is.