Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 14 mei 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:4161
werknemer/X B.V., Y
Feiten
Werknemer is, terwijl hij in opdracht van X B.V. (hierna: X) bezig was met laadwerkzaamheden in Dordrecht, ten val gekomen, waarbij hij zijn pols heeft gebroken. De vordering van werknemer op X is primair gebaseerd op artikel 7:658 BW. De heer Y is bestuurder van de vennootschap. De vraag dient te worden beantwoord of X en Y aan hun zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW hebben voldaan. In eerste aanleg is Y als bestuurder van de vennootschap niet aansprakelijk geacht. Werknemer is van mening dat Y door middel van de verkoop van de activa van de vennootschap het verhaal van zijn mogelijke vordering tot schadevergoeding volstrekt illusoir heeft gemaakt nu de vennootschap een lege huls is die geen enkel verhaal (meer) biedt. Bovendien heeft Y geen verzekering voor het uitlooprisico gesloten.
Oordeel
Hoewel partijen twisten over de precieze toedracht van het ongeval, staat vast dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden ten val is gekomen. X heeft ter illustratie van haar stelling dat zij werknemer instructies heeft gegeven, gewezen op een ‘handleiding voor chauffeurs’ die aan werknemer is verstrekt en die volgens haar in diens vrachtwagen lag. In deze handleiding, die in het Nederlands is opgesteld terwijl werknemer nauwelijks Nederlands spreekt, staat echter niet vermeld hoe een chauffeur bij slechte weersomstandigheden zoals bij harde wind het zeil van de trailer moet openen, zodat het enkele verstrekken van dit handboek onvoldoende is. Ook heeft X niet dan wel onvoldoende aangetoond dat zij (algemene en/of specifieke) instructies over het openen van zeil bij het laden van vracht onder diverse weersomstandigheden aan werknemer heeft gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft (de advocaat van) X aangevoerd dat werknemer wist hoe hij zijn werkzaamheden moest uitvoeren en dat hij geen extra instructie nodig had omdat de opleiding tot professioneel chauffeur ook een theoretisch deel over veiligheid bevat, maar het hof acht dit onvoldoende. Ook de omstandigheid dat nieuwe medewerkers (toentertijd) geen voorlichting over veilig laden en lossen kregen, ‘behalve als er speciale ladingen waren (zoals rollen staal) want dan kwam er wel een uitgebreide instructie en moesten werknemers een film bekijken’, draagt bij aan het oordeel van het hof dat X tekort is geschoten in haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 BW. In het bewijs van haar stelling dat zij werknemer instructies heeft gegeven hoe om te gaan met het openen van het zeil bij slechte weersomstandigheden, is zij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet geslaagd. Ook al zou werknemer over de nodige kennis en ervaring met het openen van het zeil bij het laden en lossen van vracht bij verschillende weersomstandigheden beschikken, dan nog blijft X verantwoordelijk voor de veiligheid van werknemer en dient zij steeds rekening te houden met het verschijnsel dat ook ervaren werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Duidelijk is dat zij hiermee geen rekening heeft gehouden, terwijl zij dat wel had moeten doen, mede in acht genomen het feit dat zij op de hoogte was van het onstuimige weer op die dag. Ten slotte faalt ook het betoog van X dat zij werknemer niet had behoeven te waarschuwen voor het algemeen bekende gevaar van harde wind. Het gaat hier immers niet om een algemeen gevaar van harde wind, maar om een specifiek gevaar verbonden aan het laden en lossen van vracht bij harde windstoten. Y kan als bestuurder van de vennootschap een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt als hij heeft bewerkstelligd dat wel toegelaten dat X haar betalingsverplichting jegens werknemer niet kon nakomen. Y heeft de vraag van het hof tijdens de mondelinge behandeling of er ‘nog geld in de vennootschap zit om de vordering van de heer werknemer te voldoen’, bevestigend beantwoord. Ook heeft hij gezegd dat de onderneming nog niet is ontbonden omdat ‘ik niet wil dat iemand denkt dat ik de onderneming opdoek vanwege deze zaak’. Dit betekent dat Y als bestuurder (in ieder geval) niet aansprakelijk is, als de vennootschap de schadevergoedingsverplichting op grond van artikel 7:658 BW jegens werknemer, zoals hierboven is geoordeeld, kan nakomen.