Rechtspraak
X/Liftcentraal B.V.
Feiten
Op 24 juli 2015 hebben directeur A namens All-in Holding B.V. (hierna: All-in), koper 1 en X een 'intentieovereenkomst van koop en verkoop aandelen' in Liftcentraal ondertekend. Partijen bij deze overeenkomst waren All-in (vertegenwoordigd door directeur A ) als verkoper; koper 1 dan wel een nog door hem op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als koper 1 en X dan wel een nog door hem op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als koper 2. Ten tijde van de ondertekening van de intentieovereenkomst was All-in aandeelhouder voor 100% van het geplaatste aandelenkapitaal in Liftcentraal. Op 25 september 2015 heeft X de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. opgericht. X B.V. heeft met Liftcentraal een managementovereenkomst gesloten. In het kader van die overeenkomst stuurde X B.V. maandelijks een factuur aan Liftcentraal met betrekking tot de verschuldigde vergoeding voor de door X verrichte werkzaamheden. Bij aangetekende brief d.d. 15 november 2018 heeft Liftcentraal aan X B.V. – kort samengevat – bericht dat zij de overeenkomst met X B.V. wenst te beëindigen. X stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW en verzoekt onder meer uitbetaling van loon, een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en een transitievergoeding.
Oordeel
Nu er geen schriftelijke overeenkomst is opgemaakt, dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval waarbij betekenis moet worden geacht aan de vraag of partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd. Tussen partijen is – gelet ook op artikel 4 van de intentieverklaring – niet in geschil dat zij hun samenwerking vorm wensten te geven aan de hand van een managementovereenkomst. De stelling van X dat partijen gaandeweg uitvoering zijn gaan geven aan een arbeidsovereenkomst, deelt de kantonrechter niet. Vast staat dat X vanaf 1 september 2015 tot het moment van opzegging van de overeenkomst bij brief d.d. 15 november 2018 werkzaamheden voor Liftcentraal heeft verricht. Het enkele feit dat X deze werkzaamheden persoonlijk diende te verrichten, leidt nog niet tot de conclusie dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ook in het kader van een managementovereenkomst kan worden verlangd dat de werkzaamheden door een daartoe aangewezen persoon moeten worden verricht. Bovendien is het niet X geweest die de omstreden overeenkomst met Liftcentraal heeft gesloten, maar X B.V. De door Liftcentraal voor de werkzaamheden van X verschuldigde tegenprestatie vertoont op grond van wat partijen daaromtrent hebben geregeld en de wijze waarop zij aan die regeling uitvoering hebben gegeven, zodanige afwijkingen van wat met betrekking tot loon bij een arbeidsovereenkomst gebruikelijk is, dat geen sprake was van loon als bij een arbeidsovereenkomst tussen partijen zou passen. X heeft de kantonrechter er evenmin van kunnen overtuigen dat er sprake was van een zodanige gezagsverhouding tussen partijen dat niettemin van een arbeidsovereenkomst moet worden gesproken. Uit wat X in deze zaak zelf naar voren heeft gebracht, maakt de kantonrechter juist op dat hij een grote mate van vrijheid had in de wijze waarop hij zijn werkzaamheden wenste te verrichten. Van een dagelijkse aansturing door directeur A is de kantonrechter onvoldoende gebleken. Niet verbazingwekkend is dat de directeur/grootaandeelhouder een zwaarwegende stem heeft in belangrijke zaken en dat dus voor grotere beslissingen afstemming met directeur A vereist was. De omstandigheid dat X instructies van directeur A ontving is, op zichzelf genomen geen doorslaggevend argument voor de stelling dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hierbij heeft de kantonrechter er betekenis aan gehecht dat ook in het geval van een overeenkomst van opdracht de opdrachtgever op grond van artikel 7:402 BW bevoegd is de opdrachtnemer aanwijzingen te geven. De kantonrechter komt – ook indien deze omstandigheden in onderling verband worden bezien – tot de slotsom dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan.