Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 29 mei 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:2977
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is op 28 augustus 2012 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van administratief medewerkster. Zij kampt met psychische problemen, te weten persoonlijkheidsproblematiek (borderline en dwangmatigheid) en een eetstoornis. Op 31 januari 2019 heeft werkgeefster geconstateerd dat er grote bedragen zijn overgemaakt van haar bankrekening naar de bankrekening van werkneemster. Op die manier heeft werkneemster in totaal ongeveer € 193.000 van werkgeefster ontvreemd. Werkgeefster heeft werkneemster op 31 januari 2019 op non-actief gesteld en haar bij brief van 4 februari 2019 op staande voet ontslagen. In de brief worden onder meer de termen 'fraude', 'opzet' en 'schuld' genoemd. Werkneemster verzoekt primair vernietiging van de opzegging en subsidiair een transitievergoeding.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen enerzijds de ontdekking van het feit en de op non-actiefstelling en anderzijds het ontslag op staande voet, heeft werkgeefster voldoende voortvarend gehandeld bij het geven van het ontslag op staande voet aan werkneemster. Dit is onverwijld gegeven. De term 'fraude' in de ontslagbrief moet niet letterlijk worden opgevat, maar worden begrepen als het gedurende enkele jaren overmaken van een aanzienlijke som geld van werkgeefster naar werkneemsters bankrekening. Bij werkneemster kan hierover geen twijfel zijn ontstaan. Ook de begrippen opzet en schuld maken dit niet anders. Het feit is zo ernstig van aard dat dit kwalificeert als een dringende reden. Werkneemster heeft een wezenlijke inbreuk gemaakt op de belangen van werkgeefster en het in haar gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Werkneemsters persoonlijke omstandigheden wegen niet op tegen de ernst van het feit. De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet af.
Transitievergoeding
Uit de verslagen van de psycholoog, waar werkneemster gedurende het gepleegde feit onder behandeling was, blijkt niet dat – zoals door werkneemster gesteld – sprake was van een ernstige shopverslaving of dat zij niet of sterk verminderd in staat was om haar wil in vrijheid te bepalen. Niet kan worden vastgesteld dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het handelen van werkneemster en haar persoonlijkheidsproblematiek. Zelfs indien dit verband moet worden aangenomen, acht de kantonrechter toekenning van een transitievergoeding in de gegeven situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Werkneemster heeft gedurende twee jaar een zeer omvangrijk bedrag, dat zij waarschijnlijk nooit volledig of grotendeels zal terugbetalen, ontvreemd en zich daarmee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig vergrijp waardoor werkgeefster zeer grote schade lijdt. De kantonrechter wijst de gevorderde transitievergoeding af.