Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 juni 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:5167
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is op 2 januari 1989 in dienst getreden bij apotheek 1, waarvan [naam 1] eigenaar was, vervolgens heeft zij gewerkt bij apotheek 2, waar tevens [naam 1] eigenaar was. Op 1 januari 1994 is werkneemster in dienst getreden van werkgeefster, waar ook [naam 1] eigenaar is. Al deze apotheken maken onderdeel uit van [naam onderneming]. Op de arbeidsovereenkomst is de (standaard-)cao Apotheken van toepassing. In de cao is onder meer opgenomen welke (structurele) loonsverhogingen er plaatsvinden, welke gratificaties er worden verstrekt en welk loon verschuldigd is bij arbeidsongeschiktheid. In 2014 heeft werkneemster aan werkgeefster verzocht aan haar de gratificatie toe te kennen die werkgeefster op grond van de cao Apotheken verschuldigd is bij een 25-jarig dienstverband. Werkgeefster heeft deze niet betaald. In januari 2019 heeft werkgeefster een jubileumuitkering voldaan van € 726,83 netto. Werkneemster vordert onder meer het verschuldigde loon met inachtneming van de cao-verhogingen en een hogere jubileumuitkering. Daarnaast vordert zij schadevergoeding voor het onrechtmatig terugvorderen van de leaseauto.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil vanaf welke datum werkneemster in dienst is getreden. Die discussie is relevant in het kader van het moment van de verschuldigde diensttijdgratificatie. Werkgeefster heeft niet bestreden dat werkneemster op 2 januari 1989 in dienst is getreden bij apotheek 1 en dat die jaren moeten worden beschouwd als dienstjaren in de zin van de cao. Of werkneemster in de periode tussen 1989 en 1994 één of drie maanden uit dienst is geweest, is van ondergeschikt belang, nu de cao niet vereist dat het om een aaneengesloten dienstverband gaat. Werkneemster heeft bovendien 12,5 jaar na 2 januari 1989 wel haar gratificatie voor 12,5 jarig dienstverband gekregen. Ook blijkt uit stukken van het pensioenfonds dat werkneemster onafgebroken in dienst is geweest bij de verschillende apotheken. Dat werkgeefster verwijst naar loonstroken waarop is opgenomen dat werkneemster op 1 januari 1994 in dienst is getreden, is onvoldoende om aan te tonen dat het dienstverband onderbroken is geweest.
Functiewaardering
Kern van het geschil tussen partijen betreft de waardering van de functie van werkneemster. Wat vaststaat is dat werkneemster vanaf 1 januari 2008 is geplaatst in functieschaal 8 en sindsdien, op de cao-verhogingen na, conform die salarisschaal is bezoldigd. Werkneemster heeft voldoende onderbouwd dat voor die inschaling, in ieder geval destijds, een goede reden was. Dat de werkzaamheden die werkneemster verrichtte grotendeels samenhingen met de drogisterijtak binnen de apotheek, maakt niet dat zij daarmee ‘slechts’ drogisterijmedewerker als bedoeld in de cao was. Werkgeefster heeft zich op het standpunt gesteld dat de inschaling in schaal 8 in strijd is met de cao omdat het een standaard-cao betreft en daarvan dus niet van mag worden afgeweken. Dit standpunt wordt verworpen, nu werkneemster terecht heeft aangevoerd dat de cao ruimte biedt om, in het geval dat een functie die een werknemer uitoefent die qua inhoud niet een-op-een aansluit bij een van de in de cao genoemde functies, een werknemer in te schalen in een functieschaal die qua taken, opleidingsniveau en verantwoordelijkheden het meeste aansluit bij de functie-inhoud van de werknemer. Een deugdelijke onderbouwing van de stelling van werkgeefster dat werkneemster jarenlang te hoog ingeschaald is geweest, ontbreekt. Vast is komen te staan dat werkneemster het loon betaald moet krijgen en had moeten krijgen dat hoort bij salarisschaal 8. De cao-verhogingen en de in dat kader gevorderde bedragen zijn door werkgeefster niet weersproken, zodat de vorderingen toewijsbaar zijn. Ook het restant van de gratificatie is toewijsbaar.
Leaseauto
Werkneemster heeft gevorderdwerkgeefster te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 40 netto per dag in verband met het ten onrechte innemen van de leaseauto die zij tot haar beschikking had. Werkgeefster heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat sprake is van een met de cao nietige afspraak. Nu in de cao niet is vermeld dat het niet is toegestaan een dergelijke secundaire arbeidsvoorwaarde overeen te komen, wordt het verweer van werkgeefster dat het een met de cao nietige afspraak is, verworpen. Het innemen van de leaseauto is een eenzijdige wijziging van die arbeidsvoorwaarde. Nu het innemen is gebeurd zonder voorafgaand overleg, was geen sprake van een redelijk verzoek. De schadevergoeding is echter niet toewijsbaar. Werkgeefster heeft gemotiveerd weersproken dat werkneemster schade lijdt, door te stellen dat werkneemster juist voordeel heeft doordat er geen fiscale bijtelling meer plaatsvindt en dat eventuele reiskosten, die op dit moment vanwege de arbeidsongeschiktheid niet gemaakt worden, conform de cao vergoed kunnen worden.