Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 28 juni 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:5289

werkgeefster/werknemer

Werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, omdat hij opzettelijk heeft gefraudeerd met betalingen van klanten van werkgeefster en ten onrechte een contante betaling van € 6.000 heeft aangenomen.

Feiten

Werknemer is met ingang van 1 september 2009 voor onbepaalde tijd bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Het salaris van werknemer bedroeg € 2.253 bruto per maand, exclusief emolumenten. Werkgeefster heeft werknemer op 24 januari 2019 op staande voet ontslagen. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter om werknemer te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan werkgeefster te betalen een vergoeding ter hoogte van € 5.471,71, onder aftrek van € 1.558,43 netto en de nog te verrekenen eindafrekening, werknemer te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan werkgeefster te betalen een bedrag van € 6.000 en werknemer te veroordelen in de kosten van de procedure.

Oordeel

Werkgeefster is ontvankelijk in haar verzoek. Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW jo 7:681 BW dient een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet uiterlijk twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd bij de kantonrechter ingediend te zijn. Gebleken is dat werknemer tijdens het gesprek op 24 januari 2019 is ontslagen. Vanaf dat moment had werknemer twee maanden de tijd om het ontslag aan te vechten. Gesteld noch gebleken is dat werknemer dit heeft gedaan. Uit de jurisprudentie volgt dat er omstandigheden kunnen zijn waarbij een verzoeker, ondanks het verstrijken van een vervaltermijn, toch ontvankelijk is in zijn verzoek. De kantonrechter ziet hiervoor geen aanknopingspunten, omdat werknemer in zijn verweerschrift noch ter zitting een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft ingediend. Artikel 7:686 a lid 4 sub a BW staat echter niet in de weg aan de mogelijkheid voor werknemer om zich te verweren tegen het verzoek van werkgeefster tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. Werkgeefster heeft werknemer ontslagen, omdat hij opzettelijk heeft gefraudeerd met facturen en betalingen van klanten van werkgeefster. Werknemer heeft een contante betaling van € 6.000 aangenomen en vervolgens aan zijn ouders geschonken, terwijl dit bedrag op de rekening van werkgeefster overgemaakt had moeten worden. Het verweer van werknemer komt erop neer dat hij van (vennoot) de heer X toestemming heeft gekregen het bedrag zelf te innen, zodat hij zelf wat kon verdienen. Ter zitting heeft de heer X uitdrukkelijk betwist dat hij toestemming aan werknemer zou hebben gegeven om het geld zelf te houden. Nu werknemer niet op de zitting is verschenen om zijn verweer nader toe te lichten dan wel te onderbouwen, zal zijn verweer als voldoende weersproken worden verworpen. Er is sprake van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Nu er sprake is van een dringende reden die door opzet of schuld is veroorzaakt, is werknemer ingevolge artikel 7:677 lid 3 sub a jo. lid 2 BW een vergoeding verschuldigd aan werkgeefster. Werknemer heeft de hoogte van het gevorderde bedrag niet betwist, zodat de in dat kader verzochte gefixeerde schadevergoeding van € 5.471,71 toewijsbaar is, onder aftrek van € 1.558,43 netto en de nog te verrekenen eindafrekening. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen. Werkgeefster vordert voorts op grond van artikel 7:661 lid 1 BW vergoeding van de schade ten bedrage van € 6.000. De kantonrechter heeft reeds overwogen dat werknemer geen toestemming had om zich dit bedrag toe te eigenen. Dit betekent dat werknemer aansprakelijk is tot vergoeding van de schade van € 6.000 en gehouden is tot terugbetaling van dit bedrag. Dit onderdeel van het verzoek zal ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen. Werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten.