Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 juli 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:3163
werknemer/werkgeefster c.s.
Feiten
Werknemer is vanaf 1 juni 2001 in dienst van (een rechtsvoorganger van) werkgeefster. Werkgeefster heeft op 7 november 2018 de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van het UWV opgezegd tegen 31 januari 2019. Werknemer verzoekt thans een verklaring voor recht dat hij recht heeft op een transitievergoeding van € 32.208 bruto en vordert veroordeling van werkgeefster tot betaling van die transitievergoeding. Werkgeefster betwist dit bedrag en stelt dat ingevolge de Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers de transitievergoeding € 8.336,37 bruto bedraagt. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter te bepalen dat zij de aan werknemer verschuldigde transitievergoeding in zes termijnen mag betalen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat het beroep van werkgeefster op de Overbruggingsregeling afstuit op het bepaalde in het tweede lid van artikel 24 van de Ontslagregeling. Uit de stellingen van werkgeefster en de in het geding gebrachte financiële gegevens van de onderneming blijkt dat weliswaar is voldaan aan de daarin onder a genoemde voorwaarde (dat het nettoresultaat van de onderneming van de werkgever over het boekjaar, voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek om toestemming bij het UWV is ingediend, en de twee voorafgaande boekjaren kleiner is geweest dan nul), maar aan de twee andere, onder b en c van artikel 24 lid 2 van de Ontslagregeling gestelde – cumulatieve – voorwaarden voor toepassing van de Overbruggingsregeling is niet voldaan. Het eigen vermogen van werkgeefster was aan het einde van het boekjaar, voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek om toestemming aan het UWV is ingediend, dus aan het eind van 2017, € 54.000 positief, terwijl de ‘current ratio’ blijkens de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde financiële gegevens in 2017 ruim boven 1 was. De kantonrechter overweegt voorts nog het volgende. Ter zitting heeft de gemachtigde van werknemer erop gewezen dat de tekst van artikel 24 lid 2 van de Ontslagregeling met ingang van 1 januari 2019 is gewijzigd. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2018 zijn in artikel 24 lid 2 sub a van de Ontslagregeling na ‘boekjaren’ de woorden ‘tezamen gemiddeld’ ingevoegd en is onderdeel b van dat artikellid komen te luiden: ‘de waarde van het eigen vermogen, bedoeld in het Besluit modellen jaarrekening, van de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar, bedoeld in het derde lid, ten hoogste 15% was van het totale vermogen van de onderneming van de werkgever, en’. Blijkens de toelichting is de bedoeling van de nieuwe regeling om enkele ‘scherpe randen’ van de oude regeling weg te halen door de criteria onder a en b te verruimen, opdat meer werkgevers die in een slechte financiële situatie verkeren van de Overbruggingsregeling gebruik kunnen maken. Uit de overgangsbepaling volgt dat in het geschil tussen werknemer en werkgeefster het artikel 24 van de Ontslagregeling geldt zoals dit op 31 december 2018 (voorafgaand aan de bedoelde wijziging) luidde. Uit het voorgaande volgt dat werknemer recht heeft op een transitievergoeding van € 32.208 bruto. Toewijzing van het verzoek en de vordering van werknemer volgt. Voor de door werkgeefster verzochte toepassing van het tweede lid van artikel 7:673c BW, waarin onder voorwaarden is voorzien in de mogelijkheid van betaling van de transitievergoeding in termijnen, ziet de kantonrechter geen reden, omdat niet is gesteld of gebleken dat betaling ineens tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van werkgeefster leidt.