Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16 juli 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:5879
werknemers/raad van commissarissen
Feiten
In een tussenvonnis heeft het hof een comparitie van partijen belegd. Ter comparitie hebben de leden van de raad van commissarissen (RvC) gedetailleerd en coherent verklaard over hun posities en de achtergrond van de bonusbrief.
Oordeel
Omdat bedrijf 1 financieel in zwaar weer verkeerde, hadden drie banken de aandelen van een private equity fonds overgenomen en wilden zij nieuw toezicht. De RvC-leden zijn in september 2012 aangetreden als commissaris van bedrijf 2. Per 1 oktober 2012 hebben de RvC-leden de zittende CEO laten terugtreden en lid 1 aangesteld als interim-CEO. De RvC-leden als commissarissen vergaderden steeds gezamenlijk met de bestuurders en de aandeelhouders/banken, volgens hun toelichting zodat de banken tijdig, transparant en zonder ruis op de hoogte waren van hetgeen er speelde. Het na onderhandelingen met het bankenconsortium voor bedrijf 2 ontwikkelde concept Value Enhancement Plan (VEP) voorzag tot en met 13 september 2013 in rechten voor de VEP-participanten voor te creëren aandeelhouderswaarde, welke bonussen verschuldigd zouden worden door bedrijf 2 en te garanderen door het bankenconsortium. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat de toezegging aan werknemers in de brief van 28 oktober 2013 ook met toestemming van de nieuwe bestuurder en in overleg met de bedrijfsjuriste werd gedaan mede ten behoeve van de aandeelhouders/banken en op naam van de raad van commissarissen, waarbij de raad als het ware optrad als een verlengstuk van de aandeelhouders/banken, al zouden de RvC-leden zich in deze praktische setting, goed mogelijk, de impact van deze tenaamstelling niet hebben gerealiseerd. In ieder geval kan het kennelijk en met zoveel woorden erkende verlaten van de wettelijk verankerde onderscheiden taakverdeling tussen bestuur en commissarissen van een vennootschap door de RvC-leden niet tegenover werknemers worden ingeroepen. De vraag blijft hoe in de bonustoezegging de verhouding tussen partijen is geregeld. De meningen lopen uiteen over het antwoord op de vraag namens wie de bonustoezeggingen werden gedaan tijdens de ontmoetingen met werknemers in de zomer en het najaar van 2013 in Guyana/Suriname. Het hof oordeelt dat werknemers als general manager respectievelijk finance manager werknemers van twee SA-dochtervennootschappen in Zuid-Amerika, in redelijkheid mochten vertrouwen op de inhoud van de latere brieven van RvC-lid 1 als 'chairman of the supervisory board' waarin hij hen de bonustoezegging heeft bevestigd namens de raad van commissarissen. Voldoende aannemelijk is dat de hele achtergrond van de voorgenomen verkoop van bedrijf 3 voor werknemers in Guyana/Suriname aanvankelijk niet zo duidelijk was. Door de verdere toelichtingen ter comparitie in hoger beroep is, ook voor het hof, pas meer duidelijkheid ontstaan. Dit rechtvaardigt, naar ook de RvC-leden redelijkerwijs behoorden te begrijpen, de uitleg door werknemers dat de raad van commissarissen op basis van zijn bonustoezeggingen zorg zou dragen voor betaling van de bonussen door de aandeelhouders/banken en dat de RvC-leden persoonlijk jegens hen onrechtmatig handelden door voor (de effectuering van) die toegezegde en verschuldigd geworden betalingen geen zorg te dragen. Het hoger beroep slaagt.