Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13 augustus 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:2215
werknemer/Onaki B.V.
Feiten
Werknemer is op 15 juli 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar in dienst getreden bij Onaki B.V. (hierna: ‘Onaki’). Het salaris bedroeg € 3.960 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Per 1 november 2018 hebben partijen, onder dezelfde voorwaarden, een nieuwe arbeidsovereenkomst met elkaar gesloten, met een looptijd van 1 november 2018 tot 1 november 2019. Werknemer heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd dat Onaki zal worden veroordeeld tot betaling van onder meer het achterstallige salaris over de periode 15 juli 2018 tot en met november 2018, een bedrag van € 22.716,22 bruto. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep. Werknemer heeft tevens zijn eis vermeerderd. Werknemer vordert in hoger beroep primair betaling door Onaki van een bedrag van € 18.439,42 ter zake van achterstallig loon over de periode 15 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018, welk bedrag aan Onaki is gefactureerd op 1 november 2018 en subsidiair betaling door Onaki van een bedrag van € 18.439,42 ter zake van loon over de periode 15 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018, welk bedrag aan Onaki is gefactureerd op 1 november 2018 op grond van de overeenkomst tot opdracht. Verder vordert werknemer dat het hof Onaki onder meer veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 21.834 bruto aan achterstallig loon over de maanden november 2018 tot en met maart 2019, betaling van het volledige brutosalaris van € 4.276,80, vanaf 1 april 2019 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd en veroordeling van Onaki tot het verstrekken van een deugdelijke loonspecificatie aan werknemer.
Oordeel
Wat betreft de loonvordering van werknemer over de periode 15 juli 2018 tot 1 november 2018 is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat werknemer over deze periode geen salaris zou ontvangen op basis van zijn arbeidsovereenkomst, maar dat hij in plaats daarvan een factuur zou sturen voor zijn werkzaamheden. Werknemer heeft dit vervolgens ook gedaan. Dit brengt mee dat zijn primaire vordering niet kan worden toegewezen, maar zijn subsidiaire vordering wel. De loonvordering van werknemer over de periode 1 november 2018 tot en met maart 201 zal worden toegewezen. Werknemer heeft voldoende onderbouwd dat hij ook in deze periode werkzaamheden heeft verricht voor Onaki. Onaki heeft een en ander niet gemotiveerd weersproken. Bovendien is het hof met werknemer van oordeel dat het feit dat werknemer in deze periode mogelijk minder uren voor Onaki heeft gewerkt dan is overeengekomen in zijn arbeidsovereenkomst, ingevolge het bepaalde in artikel 7:628 BW in redelijkheid voor rekening en risico van Onaki moet blijven. Werknemer heeft er onweersproken op gewezen dat hij volledig beschikbaar was voor zijn werk. De gevorderde wettelijke verhoging zal het hof over deze periode, rekening houdend met het feit dat werknemer in de betreffende periode slechts in beperkte mate werkzaamheden heeft verricht voor Onaki, matigen tot 10%. Ook de vordering onder III zal worden toegewezen. Onaki heeft geen verweren gevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen reeds is geëindigd, dan wel dat werknemer om andere redenen – geheel of gedeeltelijk – geen recht meer zou hebben op loon. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. De vordering tot het, op straffe van een dwangsom, verstrekken van een deugdelijke loonspecificatie aan werknemer is evenmin weersproken en zal daarom eveneens worden toegewezen. Het vonnis van de kantonrechter kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd.