Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 16 juli 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1953
werknemer/Meram Rotterdam West B.V.
Feiten
Werknemer is via verschillende constructies betrokken geweest bij de exploitatie van de door Meram Zuid en Meram West gedreven restaurants. Werknemer is hierna met ingang van 1 januari 2013 op basis van een arbeidsovereenkomst bij Meram West in dienst getreden. Bij brief van 15 december 2016 van Meram West is werknemer per 1 januari 2017 op non actief gesteld en is zijn dienstverband opgezegd. Werknemer is echter ook na 1 januari 2017 werkzaam gebleven en Meram West is hem ook tot en met de maand maart 2017 loon blijven doorbetalen. Bij brief van 1 mei 2017 is, voor zover de arbeidsovereenkomst nog bestaat, werknemer op staande voet ontslagen. In de brief wordt o.a. vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat in de kassa een bedrag van ruim € 111.000 ontbreekt en dat ook uit camerabeelden is gebleken dat werknemer zich een groot geldbedrag (mede) wederrechtelijk heeft toegeëigend. De kantonrechter heeft in eerste aanleg het verzoek van werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen.
Oordeel
Onverwijldheid
De periode van 21 april 2017 (de dag van de inval in het kantoor van Meram West) tot en met 1 mei 2017 (de dagtekening van de ontslagbrief) omvat elf dagen, waarvan zes reguliere werkdagen. Het hof is van oordeel dat de opzegging tijdig is gedaan. Het hof stelt daarbij voorop dat voldoende aannemelijk is geworden dat er op 21 april 2017 slechts sprake was van een vermoeden dat er binnen Meram West mogelijk onregelmatigheden plaatsvonden. Teneinde hierover meer duidelijkheid te krijgen is op die dag de in het kantoor van Meram West aanwezige (kas)administratie meegenomen en het op dat moment in de kluis (en een locker) aanwezige contante geld geteld. Daarnaast zijn camerabeelden veilig gesteld. In de dagen hierna is vervolgens onderzoek gedaan in de administratie. Meram West heeft voldoende voortvarend gehandeld. Voor een geldig ontslag op staande voet is niet vereist dat de werkgever de werknemer eerst in de gelegenheid stelt zich uit te laten over de dringende reden (vgl. HR 19 september 1980, NJ 1981, 131). In zoverre faalt grief 3.
(Mededeling) dringende reden
De door artikel 7:677 lid 1 BW vereiste mededeling van de reden van het ontslag moet zodanig geschieden dat het de werknemer duidelijk is welke gedraging of eigenschap aanleiding heeft gegeven tot het ontslag. Naar het oordeel van het hof voldoet de brief van 1 mei 2017 aan deze eis. De brief maakt immers melding van (1) een groot kastekort en van (2) camerabeelden waarop is te zien dat werknemer contant geld in zijn zak steekt. Gelet op alle stukken acht het hof dan ook in elk geval aangetoond dat werknemer op 19 april 2017 tezamen met zijn broer ten minste € 5.000 wederrechtelijk aan Meram West heeft onttrokken. Zoals ook in de ontslagbrief is verwoord, levert dit feit reeds op zichzelf een dringende reden op, ook als daarbij de door werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden – kort gezegd: zijn staat van dienst binnen de restaurants in Rotterdam, de verstrekkende (financiële) consequenties van het verlies van zijn baan en het feit dat het ontslag is gegeven toen hij ziek was – in ogenschouw worden genomen. De kantonrechter heeft op goede gronden de vordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen zodat ook in hoger beroep de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen.