Naar boven ↑

Rechtspraak

X in haar hoedanigheid van executeur/werkneemster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 31 augustus 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:11875

X in haar hoedanigheid van executeur/werkneemster

Erfgenamen hebben de fietsenwinkel na overlijden van de vader gesloten. Niets stond eraan in de weg om werkneemster, aan wie de fietsenwinkel was gelegateerd, haar werkzaamheden te laten verrichten. Ontbindingsverzoek op de h-grond afgewezen.

Feiten

Werkneemster heeft op enig moment haar rijwielhandel aan haar vader overgedragen en is daar in dienst getreden. De vader is op 21 augustus 2017 overleden. X, moeder van werkneemster, is executeur-testamentair. Vader heeft zijn eenmanszaak aan werkneemster gelegateerd. Werkneemster heeft de erfenis beneficiair aanvaard. De rijwielhandel is na het overlijden van de vader niet meer open geweest. Op 15 november 2017 heeft X een ontslagaanvraag voor werkneemster ingediend. Deze aanvraag is geweigerd, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van definitieve en volledige beëindiging van de bedrijfsactiviteiten. Werkneemster heeft X erop gewezen dat zij verplicht is alle tot de eenmanszaak behorende activa te behouden voor de afgifte van het legaat. Vanaf april 2018 is loonbetaling gestaakt. Werkneemster heeft X gesommeerd tot betaling van het achterstallig salaris. Op 10 juli 2018 is de bedoelbeschrijving opgemaakt. Het legaat is nog niet aan werkneemster overgedragen. X verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst op 21 augustus 2017 is beëindigd, dan wel op zo kort mogelijke termijn te ontbinden op de h-grond. Werkneemster voert verweer en vordert in reconventie betaling van achterstallig salaris en wedertewerkstelling.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet eindigt door de dood van de werkgever, tenzij het tegendeel blijkt uit de overeenkomst. Van een rechtsgeldige opzegging is geen sprake. Er is nog sprake van een arbeidsovereenkomst. De volgende vraag is of er gronden zijn voor ontbinding. X heeft aangevoerd dat een redelijke grond is gelegen in het feit dat niet langer van de erfgenamen kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voorduren en daarom sprake is van ‘andere omstandigheden’. De kantonrechter is met werkneemster van oordeel dat hetgeen door X wordt gesteld wijst op een verzoek tot ontbinding vanwege bedrijfsbeëindiging. Dit kan geen reden zijn voor ontbinding op de h-grond, nu hierin is voorzien onder de a-grond en het UWV het verzoek op die grond heeft afgewezen. Niets stond eraan in de weg om werkneemster de fietsenwinkel voort te laten zetten. Door X is ook geen onderbouwing gegeven voor de stelling dat de winkel niet kon worden voortgezet door werkneemster, zolang het legaat niet aan haar was overgedragen. Het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen.

Tegenverzoek

Vast staat dat werkneemster sinds april 2018 geen loon meer ontvangt. Nu de arbeidsovereenkomst nog bestaat, maakt werkneemster aanspraak op loon. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van werkweigering. X heeft de winkel afgesloten, zij was niet bevoegd om de loonbetaling te staken. De loonbetaling wordt toegewezen. Eveneens wordt het verzoek tot wedertewerkstelling toegewezen.