Naar boven ↑

Rechtspraak

Bol/Kuiper
Hoge Raad, 26 april 1996
ECLI:NL:HR:1996:ZC2052

Bol/Kuiper

Bol/Kuiper. Ontslag op staande voet. Onverwijlde mededeling van de dringende reden. Stelplicht werkgever. Veroordeling in de proceskosten van in cassatie niet verschenen curator?

Feiten

Werknemer is met ingang van 1 april 1986 als benzinepompbediende in dienst getreden van werkgeefster. Op 31 maart 1992 heeft werkgeefster aan werknemer laten weten dat zij geen prijs meer stelde op zijn diensten. Naar de stellingen van werkgeefster heeft zij werknemer toen op staande voet ontslagen, naar die van werknemer heeft werkgeefster hem toen voorgesteld de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden met onmiddellijke ingang te beëindigen. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat het ontslag nietig is alsmede veroordeling van werkgeefster tot doorbetaling van loon. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgeefster ondubbelzinnig blijk heeft gegeven van de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De vorderingen van werknemer zijn derhalve afgewezen. De rechtbank (in hoger beroep) heeft vervolgens met de kantonrechter geoordeeld dat werkgeefster heeft aangetoond dat zij werknemer heeft ontslagen, doordat, ook zonder dat het woord ‘ontslag’ is gevallen, is duidelijk gemaakt dat het dienstverband met onmiddellijke ingang werd beëindigd. De rechtbank heeft evenwel tevens geoordeeld dat niet is voldaan aan de eis dat de dringende reden tot ontslag – het niet nakomen van de werkafspraken ter zake van financieel beheer – onverwijld aan werknemer is medegedeeld. De rechtbank heeft het ontslag dan ook op die grond nietig geacht en in verband daarmee de vorderingen van werknemer alsnog toegewezen. Werkgeefster komt in cassatie op tegen dit oordeel.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt allereerst dat de rechtbank, door te oordelen zoals hiervoor weergegeven, zich niet buiten de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep heeft begeven. Voorts is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat de stelplicht ter zake van het voldaan zijn aan de onverwijldheidseis op werkgeefster rustte. Het eerste onderdeel faalt derhalve. Ook het tweede onderdeel faalt. De rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk in de stellingen van werkgeefster niet gelezen dat volgens deze zich hier het uitzonderlijke geval voordeed waarin voor de ontslagen werknemer ook zonder mededeling reeds aanstonds duidelijk was welke door de werkgever als dringend aangemerkte reden door deze aan het ontslag ten grondslag werd gelegd. In verband daarmee kan niet worden gezegd dat de rechtbank, die uitdrukkelijk verwijst naar HR 20 november 1987, NJ 1988, 282, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De in het onderdeel gereleveerde omstandigheden behoefden de rechtbank niet tot een ander oordeel te leiden. Het derde onderdeel treft daarentegen doel. Inderdaad heeft werkgeefster in eerste aanleg het verweer gevoerd dat werknemer na het ontslag zich niet ter beschikking van werkgeefster heeft gehouden en zich niet bereid heeft verklaard de bedongen werkzaamheden te verrichten. De rechtbank had de vorderingen van werknemer niet mogen toewijzen, zonder dit – door de kantonrechter verworpen – verweer opnieuw te bezien. Met het oog daarop wordt het bestreden vonnis vernietigd en volgt verwijzing naar het Gerechtshof Arnhem. Nu het beroep in cassatie is ingesteld tegen de curator in het faillissement van werknemer en de curator niet is verschenen, rijst de vraag of zij in de kosten van het geding dient te worden veroordeeld. In dit geval moet de vraag of de curator door niet in het geding te verschijnen kan voorkomen dat de proceskosten van dat geding bij slagen van het cassatieberoep voor rekening van de boedel komen, worden beantwoord aan de hand van het stelsel van de artikelen 25, 27 en 28 Faillissementswet (Fw) tezamen. Uitgangspunt dient dan te zijn dat aan dit stelsel mede de gedachte ten grondslag ligt dat de wederpartijen van de gefailleerde schuldenaar in de gevallen dat de curator verkiest buiten de procedure te blijven, een zekere bescherming ter zake van het risico van onverhaalbare proceskosten behoeft. Nu artikel 27 lid 2 Fw daarvoor in dit geval geen hanteerbare oplossing biedt, dient aansluiting te worden gezocht bij de oplossing die in artikel 28 lid 4 Fw voor het daar geregelde geval is gekozen en die zich ook voor toepassing in het onderhavige geval leent. Dit is ook hierom redelijk omdat de vordering waarop de bestreden uitspraak betrekking heeft, in de boedel valt en, zo het cassatieberoep zou zijn verworpen, aan de curator overeenkomstig de in de bestreden uitspraak vervatte veroordeling had dienen te worden voldaan, met inbegrip van alle proceskosten waarop deze dan aanspraak had kunnen maken. Dit leidt tot de slotsom dat een veroordeling van de curator in de kosten van het geding in cassatie, in dier voege dat die kosten boedelschuld zijn, op haar plaats is, zulks evenwel met het voorbehoud dat die kosten gedurende het faillissement zijn gemaakt.