Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 september 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:7926
werknemer/ABN AMRO Bank N.V.
Feiten
In deze zaak is eerder, op 17 augustus 2017, een beschikking gewezen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in die zaak op 25 september 2018 beschikking gewezen, welke beschikking door ABN AMRO aan de kantonrechter is toegestuurd. De kantonrechter heeft een voortgezette mondelinge behandeling bepaald. Uit de ingebrachte beslissing van het Gerechtshof Amsterdam volgt dat het hof met de kantonrechter in de eerdere zaak van oordeel is dat de in artikel IV.5 Sociaal Plan 2013-2015 neergelegde regeling een – voor zover van belang – direct onderscheid naar leeftijd maakt, dat op zich sprake is van een legitiem doel, maar dat de aftoppingsregeling g een passend en noodzakelijk middel is om het door ABN AMRO geformuleerde doel, het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen, te bereiken. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, waardoor de werknemer een vertrekpremie kreeg toegewezen tot de hoogte van de pensioenschade en het inkomen dat hij derft tot zijn AOW-leeftijd, met in achtneming van de toegekende WW-uitkering, en verminderd met het reeds uitgekeerde bedrag.
Oordeel
ABN AMRO heeft nog daarna nog betoogd dat, omdat het Sociaal Plan 2017-2020 voorziet in een bodembedrag en dus de aftopping van de ontslagvergoeding niet tot nul gaat, de regeling van artikel 5.2 sub c Sociaal Plan 2017-2020 niet nietig is. Deze stelling wordt door de kantonrechter niet gevolgd. Werknemer blijft door de aftopping onevenredig zwaar getroffen in vergelijking met jongere collega’s, die (soms net) niet door de werking van artikel 5.2 sub c Sociaal Plan 2017-2020 worden getroffen, terwijl juist medewerkers van de leeftijd van werknemer slechtere kansen hebben op de arbeidsmarkt. Daarvoor is geen rechtvaardiging te vinden. Ook de aftoppingsregeling in het Sociaal Plan 2017-2020 is derhalve niet evenwichtig, niet passend en niet noodzakelijk. Wel blijft de kantonrechter bij haar oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om werknemer een vertrekpremie toe te kennen voor zover die meer bedraagt dan zijn volledige inkomensderving tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, vermeerderd met zijn pensioenschade, die hij lijdt als gevolg van het missen van de verdere opbouw tot die leeftijd. In dat verband overweegt de kantonrechter allereerst dat zij met ABN AMRO van oordeel is dat het wegvallen van de korting op de hypotheekrente niet voor verdere vergoeding in aanmerking komt. Alle medewerkers van ABN AMRO die zijn ontslagen hebben op gelijke wijze compensatie gekregen voor het missen van de hypotheekrentekorting gedurende vijf jaar. Ook werknemer heeft die compensatie ontvangen, zodat het de kantonrechter redelijk en billijk voorkomt dat werknemer op dat punt niet anders wordt behandeld. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de berekening van ABN AMRO juist is. De kantonrechter maakt de volgende (bruto)berekening: € 226.436,80 (inkomensschade tot AOW-leeftijd) + € 60.961,40 (pensioenschade) = € 287.399,20 bruto - € 110.819,41 (inkomsten WW en overig) - € 67.082 (al ontvangen vertrekpremie) = € 109.497,79 bruto. Dit bedrag zal aan werknemer kunnen worden toegewezen. Samengevat impliceert het vorenstaande dat het verzoek tot nietigverklaring van de aftopping van de vertrekpremie als opgenomen in (art 5.2 sub c van) het Sociaal Plan 2017-2020 zal worden toegewezen wegens leeftijdsdiscriminatie, waarbij zal worden bepaald dat werknemer recht heeft op een (aanvullende) vertrekpremie van € 109.497,79 bruto.