Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Peijnenburg’s Koekfabrieken B.V.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 22 oktober 2019
ECLI:NL:RBOBR:2019:6505

werknemer/Peijnenburg’s Koekfabrieken B.V.

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Handelen van werknemer hoeft in beginsel niet getolereerd te worden, maar de persoonlijke omstandigheden maken dat geen sprake is van een dringende reden. Verzoek van werknemer tot betaling gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding toegewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 november 1989 in dienst getreden bij Peijnenburg. De laatste functie die hij vervulde, was hoofd bedrijfsbureau. Sinds 1 september 2017 is werknemer arbeidsongeschikt. Op 9 maart 2019 was werknemer bij Peijnenburg aanwezig, waarna hij een bezem en een trekker mee naar huis heeft genomen. Op 12 mei 2019 heeft werknemer opnieuw diverse goederen van Peijnenburg meegenomen, waaronder koeken. Op 14 en 15 mei heeft Peijnenburg met werknemer gesproken over (onder andere) het meenemen van de koeken op 12 mei. Op 16 mei is werknemer door Peijnenburg op staande voet ontslagen. Het ontslag is bevestigd bij brief van dezelfde datum. Na het ontslag heeft werknemer een aantal van de door hem meegenomen zaken op het parkeerterrein van Peijnenburg achtergelaten. Peijnenburg verzoekt werknemer te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:677 lid 2 BW, alsmede een schadevergoeding ex 7:661 BW. De grondslag hiervoor is gelegen in het feit dat werknemer Peijnenburg een dringende reden tot ontslag heeft gegeven. Werknemer verzoekt toekenning van de transitievergoeding van € 76.775, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 16.200,26 bruto en een billijke vergoeding van € 8.000.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt over de vraag of Peijnenburg werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen. Ten aanzien hiervan is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven, omdat Peijnenburg de gelegenheid dient te hebben om een onderzoek in te stellen. Van een gebrek aan voortvarendheid is derhalve geen sprake. Vervolgens beoordeelt de kantonrechter of sprake is van een dringende reden. Diefstal valt onder artikel 7:678 lid 2 sub d BW en het hanteren van een strafrechtelijk begrip brengt niet met zich mee dat Peijnenburg de bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving dient te bewijzen. De kantonrechter stelt voorop dat in beginsel van Peijnenburg in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij tolereert dat een medewerker zonder toestemming, zonder dat iemand daarvan op de hoogte was en in strijd met het geldende protocol goederen meeneemt. Bij de beoordeling van de dringende reden dienen echter ook de omstandigheden van het geval, waaronder de persoonlijke omstandigheden van werknemer, een rol te spelen. De kantonrechter komt naar aanleiding hiervan tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Er is dus sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Bij gebreke aan een dringende reden en gezien de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden valt niet in te zien dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Dat betekent dat Peijnenburg de transitievergoeding verschuldigd is. Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is Peijnenburg die vergoeding verschuldigd aan werknemer, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De kantonrechter oordeelt dat een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt omdat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom ook toegewezen. De kantonrechter beoordeelt de hoogte van de billijke vergoeding volgens New Hairstyle. Onder de gegeven omstandigheden wordt een vergoeding van € 2.000 bruto als billijk geoordeeld.