Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 oktober 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:7999

werkneemster/werkgever

Werkgever is er niet in geslaagd bewijs te leveren dat werkneemster tijdens haar werkzaamheden haar eigen webshop aanprees en kleding verkocht. Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet. Toekenning billijke vergoeding.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 november 2011 fulltime in dienst van (de rechtsvoorganger van) werkgever, laatstelijk als shopmanager van de winkel. Vanaf 15 september 2017 is werkneemster vier maanden arbeidsongeschikt geweest door vermoeidheidsklachten. Daarna is zij gere-integreerd en kon zij vanaf april 2018 weer vier dagen werken. Op 10 juli 2018 heeft werkneemster een eigen online webshop voor kleding en modeartikelen ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op 1 oktober 2018 heeft zij dit aan haar manager medegedeeld. Werkgever liet werkneemster weten niet blij te zijn met de oprichting van de webshop van werkneemster en liet werkneemster de volgende keuze: de activiteiten van de webshop per direct staken of zelf de arbeidsovereenkomst per direct opzeggen. Op 5 oktober 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 7 oktober 2018 is ze weer op het werk verschenen. Werkgever heeft haar toen direct aangesproken en heeft haar op staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding van € 15.000, een transitievergoeding van € 5.314 bruto en een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging van € 6.824,85. Ter zitting is mondeling tussenbeschikking gewezen waarbij werkgever het bewijs van zijn stelling is opgedragen dat werkneemster vóór 5 oktober 2018 klanten van werkgever in de winkel tijdens werktijd heeft benaderd om te winnen voor haar eigen onderneming en dit verborgen heeft gehouden voor werkgever. In dit kader heeft werkgever getuigen doen horen.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat de getuigenverklaringen onvoldoende bijdragen aan het aan werkgever opgedragen bewijs. Alleen de manager van de winkel heeft verklaard dat zij van klanten heeft gehoord dat werkneemster haar eigen collectie tijdens werktijd heeft laten zien. Nu de manager geen onafhankelijke getuige is, is haar verklaring alleen van onvoldoende gewicht om werkgever in zijn bewijsopdracht te doen slagen. Gevolg is dan ook dat niet is komen vast te staan dat werkneemster tijdens werktijd aan klanten haar collectie heeft laten zien, aangeboden of goederen daaruit aan klanten van werkgever heeft verkocht. Zoals in het proces-verbaal van de mondelinge beschikking is overwogen is het ontslag op staande voet dan ook onterecht gegeven. Vast staat dat tussen partijen geen verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden of een non-concurrentiebeding was overeengekomen. Ingevolge de arbeidsovereenkomst was het werkneemster dan ook niet verboden om naast haar werkzaamheden voor werkgever andere werkzaamheden te verrichten. Nu niet is gebleken dat de nevenactiviteiten reeds een professioneel, tijdrovend en/of omvangrijk karakter hadden, kan niet worden geoordeeld dat werkneemster werkgever hiermee zodanig heeft beconcurreerd dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, komt werkneemster de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe. Er is aanleiding voor het toekennen van een billijke vergoeding. Het is niet onaannemelijk dat indien werkneemster na het gesprek op 3 oktober 2018 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had ingediend, dit op grond van verstoring van de arbeidsrelatie zou zijn toegewezen tegen 1 februari 2019 en er daarmee een einde aan de arbeidsovereenkomst zou zijn gekomen. In dat geval zou uiteraard wel het loon zijn doorbetaald tot het einde van de arbeidsovereenkomst, maar zou werkneemster niet in aanmerking zijn gekomen voor vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Om die reden is een beperkte billijke vergoeding van € 3.000 bruto op zijn plaats.