Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 oktober 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:8427
werknemer/International Lashing Service B.V.
Feiten
Met ingang van 8 januari 2018 is werknemer voor bepaalde tijd tot 31 januari 2019 krachtens een leer-arbeidsovereenkomst in dienst getreden van International Lashing Service B.V. (hierna: ILS). Feitelijk voerde werknemer voor ILS laatstelijk werkzaamheden als ‘sjorder’ uit. De functie van sjorder houdt in dat deze op schepen containers vastzet. Tussen de containers bevinden zich koelcontainers waarvan kabels via gaten het onderdek in gaan. Aan een door beveiliger A opgemaakt ongevalsrapport van 29 januari 2019 wordt ontleend dat werknemer tijdens werkzaamheden aan boord van een schip bij een dekluik in een kabelgat is gevallen. Hierdoor heeft hij zijn rechteronderbeen en -enkel bezeerd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is met ingang van 31 januari 2019 van rechtswege geëindigd. Werknemer verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat ILS aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval op grond van artikel 7:658 lid 2 BW dan wel op grond van artikel 7:611 BW.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat de functie van sjorder met zich brengt dat deze over een ‘catwalk’ van container naar container loopt en dat zich in die ‘catwalk’ kabelgaten bevinden die niet afgesloten kunnen worden wanneer daar kabels doorheen lopen ten behoeve van de koeling van containers. Dat betekent dat sprake is van een kenbaar gevaar. De kantonrechter overweegt dat hoewel de verantwoordelijkheid voor een veilige werkplek uiteraard bij ILS is gelegen, die hier niet zo ver gaat dat van haar kan worden verlangd dat zij telkens voordat werknemer een catwalk betreedt voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden, deze heeft laten controleren op openstaande kabelgaten en op de catwalk liggende kabels en die in het voorkomende geval met, bijvoorbeeld, een gekleurd lintje heeft gemarkeerd. Van werknemer mocht ILS verwachten dat hij, hoewel hij formeel nog ‘leerling-werknemer’ was maar feitelijk al ruim een jaar werkzaamheden als sjorder op meer dan 200 schepen had verricht, gegeven de hem verstrekte veiligheidsinstructies waaronder de instructie dat hij zelf voorafgaand aan de werkzaamheden moet controleren of het werkgebied veilig en werkbaar is, zelf de nodige oplettendheid en voorzichtigheid zou betrachten bij het zich over de catwalk verplaatsen. ILS is niet aansprakelijk aangezien zij niet is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht. Het beroep op artikel 7:658 BW slaagt dan ook niet. Weliswaar blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat het in artikel 7:611 BW vervatte beginsel van goed werkgeverschap onder bepaalde omstandigheden voor de werkgever een verplichting met zich brengt ten behoeve van de werknemer een behoorlijke verzekering af te sluiten voor (schade door) werkgerelateerde verkeersongevallen, maar daarvan is hier geen sprake. De eisen gesteld aan het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW in het kader van een casus als hier aan de orde houden niet meer of anders in dan die gesteld aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW. Artikel 7:611 BW kan hier dan ook niet dienen als een zelfstandige grondslag om ILS voor de door werknemer gestelde schade aansprakelijk te houden.