Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 16 september 2019
ECLI:NL:RBZWB:2019:5225
PIA Automation B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2007 in dienst getreden van PIA Support B.V. in de functie van Senior Engineer. Als gevolg van de fusie is werknemer per 31 augustus 2018 in voormelde functie in dienst van PIA Automation B.V. (hierna: PIA) gekomen. In de door PIA Support B.V. en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst is geen concurrentie- en/of relatiebeding opgenomen. Op 23 mei 2018 heeft werknemer zijn vertrek aan A en B bij PIA aangekondigd, in verband met het starten van zijn eigen bedrijf. Naar aanleiding daarvan hebben werknemer, A en B die dag met elkaar gesproken, onder meer over de datum van uitdiensttreding en de toekomstige werkzaamheden van werknemer binnen zijn eigen bedrijf in relatie tot het bedrijf van PIA, waarvan een gespreksverslag naar werknemer is gestuurd. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst met PIA per 2 september 2018 opgezegd. Partijen zijn na contact over en weer op 11 juli 2018 een schriftelijke overeenkomst aangegaan waarin is opgenomen dat werknemer gedurende 2 jaar geen actieve benadering zal doen naar klanten/relaties van PIA zoals vermeld in een bijgevoegde lijst 'Relaties 2018'. Wanneer een relatie werknemer benadert, zal werknemer contact opnemen met PIA om te overleggen hoe deze relatie zal worden bediend. Werknemer heeft vanuit zijn eenmanszaak werkzaamheden verricht voor E , F, D en C, zonder dat overleg daarover heeft plaatsgevonden tussen partijen. PIA vordert onder meer werknemer te veroordelen om zijn werkzaamheden voor die klanten te staken op straffe van een dwangsom.
Oordeel
Met PIA is de kantonrechter van oordeel dat werknemer is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 11 juli 2018, behoudens wat betreft de voor C verrichte werkzaamheden. Gelet op de doorhaling van de naam van C op de lijst van 11 juli 2018 valt niet in te zien dat C desondanks onderdeel is blijven uitmaken van die lijst. Het verweer van werknemer dat de afspraak om eerst contact op te nemen en overleg te hebben met PIA niet geldt als het om storingswerkzaamheden gaat, treft geen doel. In het relatiebeding is omtrent de aard van de voor relaties van PIA te verrichten werkzaamheden niets bepaald, zodat moet worden aangenomen dat in beginsel alle werkzaamheden daaronder vallen. De kantonrechter volgt PIA echter niet in de door haar voorgestane uitleg van de overeenkomst, in die zin dat daaruit volgt dat werknemer alleen met toestemming van PIA op verzoek van relaties van PIA voor die relaties van PIA werkzaamheden mag verrichten. Gelet op de inhoud van de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst van 11 juli 2018 valt niet in te zien dat beide partijen een dergelijke verstrekkende afspraak hebben beoogd. Het kan zijn dat PIA dit destijds zo heeft gewild en bedoeld, maar dat is onvoldoende. Het gaat erom of werknemer bij het tekenen van de overeenkomst van 11 juli 2018 heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat dit de strekking van de overeenkomst zou zijn en dat hij door ondertekening van de overeenkomst van 11 juli 2018 daarmee heeft ingestemd. Dat dit laatste het geval is, is voor nu onvoldoende aannemelijk. De kantonrechter zal werknemer gebieden de overeenkomst van 11 juli 2018 na te komen door gedurende een periode van 2 jaar na ondertekening van de overeenkomst alvorens werkzaamheden te verrichten voor relaties van PIA, PIA hierover in te lichten en te overleggen hoe de betreffende relatie door PIA en werknemer zal gaan worden bediend. De kantonrechter ziet aanleiding een dwangsom op te leggen van € 5.000 per dag of dagdeel, met een maximum van € 250.000.