Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 augustus 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3021
werknemer/Loraan Beheer B.V.
Feiten
Werknemer is op 10 mei 2014 bij Loraan in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst is op 1 mei 2015 van rechtswege geëindigd. Op 30 oktober 2014 is werknemer naar zijn huisarts gegaan in verband met pijn aan zijn rechter elleboog/onderarm. Vervolgens is hij nog gezien door een orthopedisch chirurg en door een orthopedisch chirurg. Het UWV heeft aan werknemer een ziektewetuitkering toegekend per 27 oktober 2014. Bij brief van 18 maart 2015 heeft werknemer Loraan aansprakelijk gesteld voor de door het geleden en nog te lijden schade als gevolg van een arbeidsongeval op 27 oktober 2014. Werknemer heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Loraan aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade als gevolg van een arbeidsongeval op 27 oktober 2014. Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat hij tijdens zijn werk op 27 oktober 2014 met zijn arm onder de klep van de vaatwasmachine is gekomen, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Loraan heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Werknemer komt op tegen het oordeel.
Oordeel
De eerste grief van werknemer houdt in dat van hem bewijs is gevraagd van de specifieke toedracht van het ongeval, terwijl van de werknemer in het kader van artikel 7:658 BW alleen kan worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden en niet dat hij ook de toedracht van het ongeval aantoont of wat de oorzaak ervan is. Naar het oordeel van het hof is deze grief terecht voorgedragen. In het kader van artikel 7:658 BW is het aan de werknemer om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werknemer hoeft niet te bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken of wat de oorzaak ervan is. Door van werknemer te verlangen dat hij aantoonde dat de klep van de vaatwasmachine op zijn arm terecht is gekomen, is de kantonrechter aan deze bewijsregel voorbij gegaan. De grieven II en III richten zich tegen de waardering van het bewijs door de kantonrechter. Het gaat hierbij om de vraag of werknemer heeft kunnen aantonen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Het hof is met de kantonrechter van mening dat hierover twijfel mogelijk is. Immers, vast staat dat geen enkele getuige het gestelde ongeval heeft gezien en ook de medische informatie is niet eenduidig. Naar het oordeel van het hof valt niet met voldoende zekerheid aan te nemen dat het door werknemer gestelde ongeval inderdaad heeft plaatsgevonden, maar evenmin dat dit niet het geval is. Voor het hof slaat de balans echter door in het nadeel van werknemer. Het vonnis wordt bekrachtigd.