Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 7 november 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:9321
werknemer/RN Vastgoed B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2016 in dienst getreden bij RN Vastgoed B.V. (hierna: RN) in de functie van commercieel medewerker binnendienst. Op 24 mei 2019 is werknemer door RN op staande voet ontslagen. De reden hiervoor is dat hij zich de zonnebril van de directeur van RN zonder toestemming zou hebben toegeëigend. Werknemer heeft onder meer vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht. RN heeft een tegenverzoek gedaan tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Onverwijldheid
Volgens werknemer is niet voldaan aan het onverwijldheidsvereiste, omdat de compagnon van de directeur van RN, de zonnebril van de directeur van RN reeds op 23 mei 2019 op het bureau van werknemer zag liggen en de compagnon de directeur hierover direct heeft gebeld. Het staat een werkgever vrij een onderzoek te doen naar de juistheid van een vermoeden tot het bestaan van een dringende reden, waarbij de grootst mogelijke voortvarendheid moet worden betracht. Dit heeft RN gedaan, door op de dag van het bij haar bekend worden van de (vermeende) dringende reden het advies van haar gemachtigde te vragen, alvorens zij tot ontslag op staande voet is overgegaan. Gelet op deze omstandigheden acht de kantonrechter het gerechtvaardigd dat tussen het moment van de constatering en het gegeven ontslag op staande voet (maximaal) 24 uur heeft gelegen.
Dringende reden
Nog daargelaten dat naar het oordeel van de kantonrechter het aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde verwijt – diefstal van de zonnebril van de directeur – onvoldoende aannemelijk is geworden vormt dit – voor zover dat wel het geval zou zijn – ook geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Alhoewel de kantonrechter van oordeel is dat het niet de bedoeling is dat een werknemer spullen van zijn werkgever, of een collega, onder zich houdt en/of gebruikt zonder daarvoor toestemming te hebben, kan – gelet op de aangevoerde omstandigheden – in onderhavig geval niet worden gezegd dat hiermee sprake is van het ontvreemden van de zonnebril van directeur en voor zover hiervan al sprake is geweest, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer de intentie had om zich de zonnebril definitief toe te eigenen. Dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal acht de kantonrechter dan ook niet aannemelijk gemaakt. Verder valt ook niet in te zien dat in de gegeven omstandigheden door RN niet voor een minder verstrekkende maatregel had kunnen worden gekozen. Het voorgaande leidt ertoe dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
Ontbinding
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door RN in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op de e-grond. RN legt aan haar ontbindingsverzoek dezelfde feiten ten grondslag als die zij heeft aangevoerd in het kader van het verweer tegen het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet. In het voorgaande is reeds overwogen dat het aan ontslag op staande voet ten grondslag gelegde verwijt onvoldoende aannemelijk is geworden. Werknemer heeft, ondanks zijn primair verweer tot afwijzing van het ontbindingsverzoek, desgevraagd ter zitting verklaard dat ook wat hem betreft inmiddels sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
Billijke vergoeding
De kantonrechter ziet aanleiding om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. De kantonrechter acht onvoldoende aannemelijk geworden dat vóór het ‘zonnebril- incident’ reeds sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, althans niet zodanig dat deze onherstelbaar verstoord was. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat de duurzaam en onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding te wijten is aan het onrechtmatig gegeven ontslag op staande voet en de daarop volgende procedure. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate te wijten is aan RN en dat haar hiervan een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van RN. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 5.500. Daarbij neemt de kantonrechter onder meer in aanmerking (1) de hoogte van het door werknemer laatstverdiende salaris, (2) de loonvordering van werknemer tot 2 oktober 2019, (3) de lengte van het dienstverband, (4) de leeftijd van werknemer en (5) de daarmee te verwachten kansen op de arbeidsmarkt.