Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 december 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:9703
werknemer/Maatbeveiliging B.V.
Feiten
Werknemer is op 30 oktober 2017 als beveiligingsmedewerker in dienst getreden bij Maatbeveiliging B.V. (hierna: Maatbeveiliging). Bij de arbeidsovereenkomst is een integriteits- en sanctiebeleid gevoegd o.a. gericht op geweld. Op 5 juli 2019 was werknemer werkzaam in een winkel van een opdrachtgever van Maatbeveiliging. Tijdens die dienst heeft werknemer samen met zijn collega (hierna: collega 1) op de camerabeelden geconstateerd dat een man, naar achteraf is vast komen te staan eveneens een medewerker van Maatbeveiliging (hierna: collega 2), enkele seconden een beveiligingscamera met zijn handen afdekte. Collega 2 was in het gezelschap van een vrouw. Naar aanleiding van de beelden hebben collega 1 en werknemer de man (collega 2) aangesproken. Na enkele minuten te hebben staan praten, heeft collega 2 werknemer een duw gegeven. Werknemer heeft hierop uitgehaald in de richting van collega 2, waarna zowel werknemer, als collega 1 en collega 2 en de vrouw in gevecht zijn geraakt. Na afloop van het incident zijn werknemer en collega 2 door de politie aangehouden. Op 7 juli 2019 is werknemer in vrijheid gesteld. Op 8 juli 2019 heeft Maatbeveiliging werknemer op non-actief gesteld en hem uitgenodigd voor een gesprek op 9 juli 2019. Tijdens dit gesprek heeft Maatbeveiliging werknemer op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft Maatbeveiliging aan werknemer een ontslagbrief gestuurd. Werknemer verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet en wedertewerkstelling en subsidiair betaling van een billijke vergoeding van € 15.000.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat de door Maatbeveiliging aangevoerde dringende reden bestaat uit de gedragingen van werknemer op 5 juli 2019. Hoewel de aanleiding van het incident dat heeft plaatsgevonden niet op de in het geding gebrachte camerabeelden te zien is, zijn partijen het erover eens dat werknemer en zijn collega een aanleiding hadden om collega 2 aan te spreken. Op de beelden is te zien dat dit op het oog rustig verloopt. Op enig moment lijkt de sfeer om te slaan, waarbij werknemer en collega 2 dicht naar elkaar toenaderen en de duw wordt gegeven. Op dat moment ontstaat de vechtpartij. Op de camerabeelden is te zien dat het nodige tumult ontstaat. Na tussenkomst van een derde beveiliger en nog een aantal omstanders komt de situatie tot rust. Ter zitting heeft werknemer aangegeven dat collega 2 en de vrouw hem bedreigden en bleven opjutten. Na het bestuderen van de camerabeelden en het horen van de verklaring van werknemer daarover op zitting, is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag op staande voet op goede gronden gegeven is. Het is weliswaar collega 2 die de eerste geweldshandeling heeft verricht en werknemer een forse duw heeft gegeven, doch werknemer heeft onvoldoende gedaan om de situatie niet te laten escaleren. Op het moment van de door werknemer gestelde bedreiging, had het, mede gelet op zijn taak en functie, voor de hand gelegen om afstand te bewaren en eventueel hulp in te schakelen. In plaats daarvan is werknemer opnieuw de discussie aangegaan en steeds dichterbij collega 2 gaan staan, waardoor uiteindelijk de vechtpartij is ontstaan. De gedragingen van werknemer maken dat moet worden geconcludeerd dat werknemer heeft bijgedragen aan het ontstaan, althans aan het laten voortduren van een geweldsincident, terwijl het inherent is aan zijn functie als beveiliger om de orde en rust juist te bewaren en zo veel mogelijk de-escalerend op te treden. Dat werknemer uiteindelijk door de politierechter is vrijgesproken doet aan de omschreven gedragingen, en daarmee aan de dringende reden, niet af. Zowel de primaire als subsidiaire verzoeken van werknemer worden, gelet op het voorgaande, door de kantonrechter afgewezen.