Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 8 januari 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:172

werkneemster/werkgeefster

Kort geding. Einde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden? Mondeling overeengekomen dus niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Vordering tot doorbetaling loon toegewezen.

Feiten

Werkneemster is op 23 augustus 1999 bij werkgeefster in dienst getreden als secretaresse. Bij e-mail van 26 juli 2018 heeft werkgeefster aan werkneemster medegedeeld dat zij een andere taak kreeg. Toen een collega van werkneemster (die haar oude taak had overgenomen) op 14 november 2018 ontslag had genomen diende werkneemster vanaf dat moment zowel voor haar oude als haar nieuwe taak te zorgen. Werkneemster heeft zich op 20 november 2018 ziek gemeld. Bij e-mail van 20 december 2018 heeft werkgeefster aan werkneemster medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst 'zoals in augustus overeengekomen' op 31 december 2018 eindigt. In een e-mail van 7 januari 2019 heeft werkneemster daarentegen geschreven dat zij ontkent met werkgeefster overeengekomen te zijn dat de arbeidsovereenkomst op 31 december 2018 eindigt. In deze e-mail heeft zij zich verder op het standpunt gesteld dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst eenzijdig en in strijd met de wet opgezegd heeft. Zij heeft aanspraak gemaakt op achterstallig loon alsmede een gefixeerde vergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Dit is in een andere procedure door de kantonrechter afgewezen omdat van een opzegging door werkgeefster geen sprake was. Hiertegen is werkneemster in hoger beroep gegaan. Op 30 januari 2019 heeft het UWV een deskundigenoordeel uitgebracht dat behelst dat werkneemster sinds 20 november 2018 arbeidsongeschikt is. Dit wordt in een rapport van 2 mei 2019 nogmaals bevestigd. In dit kort geding vordert werkneemster betaling van haar loon over de maanden januari tot en met november 2019 en de maand december 2019, alsmede tijdige betaling van haar maandelijkse loon totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd.

Oordeel

De kantonrechter overweegt allereerst dat uit de aard van de vordering (loon) het spoedeisend belang volgt. Het feit dat werkneemster al een andere procedure heeft gevoerd doet daar niet aan af. Werkneemster heeft aangegeven dat zij nu inkomsten nodig heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 31 december 2019. Werkgeefster voert aan dat zij met werkneemster is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 31 december 2018. De kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt van werkgeefster in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden verworpen. Volgens artikel 7:670b BW zal een dergelijke overeenkomst namelijk schriftelijk moeten zijn aangegaan. Vast staat dat een dergelijke schriftelijke overeenkomst tussen partijen niet bestaat. Ook mondeling zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 31 december 2018. Werkneemster betwist dat namelijk en werkgeefster heeft haar standpunt niet kunnen onderbouwen. Geenszins blijkt dat een einddatum per 31 december 2018 is overeengekomen. Uit de andere procedures blijkt dat werkneemster in de veronderstelling was dat werkgeefster onregelmatig had opgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster recht heeft op betaling van het loon, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Het UWV heeft werkneemster arbeidsongeschikt bevonden en daarom had werkneemster recht op loondoorbetaling tijdens ziekte. Als werkgeefster het daar niet mee eens was, had zij een second opinion aan moeten vragen. Voorts blijkt nergens uit dat werkneemster onvoldoende aan re-integratie heeft meegewerkt. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat in een bodemprocedure (naar alle waarschijnlijkheid) werkneemster zal worden veroordeeld tot betaling van het loon met ingang van 1 januari 2019. De vorderingen van werkneemster worden toegewezen.