Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 25 juni 2018 in dienst getreden bij werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. Werknemer heeft laatstelijk de functie van onderhouds-/montagemedewerker vervuld. In artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst staat dat werkgever uiterlijk op 12 mei 2019 zal aangeven of de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet. Tijdens het dienstverband heeft werkgever aan werknemer een bedrijfsauto ter beschikking gesteld. Werknemer heeft de bedrijfsauto op 17 juni 2019 ingeleverd. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 24 juni 2019. Op 17 juni 2019 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over de financiële afwikkeling van het dienstverband. Partijen zijn tot overeenstemming gekomen en hebben voorts voor akkoord getekend. Bij brief van 25 juni 2019 heeft werknemer werkgever aangeschreven over de aanzegvergoeding. Werknemer verzoekt onder meer werkgever te veroordelen om aan werknemer een vergoeding te betalen die gelijk is aan het bedrag van het loon naar rato, zijnde € 959,76 bruto. De tegenvordering van werkgever is veroordeling van werknemer tot betaling van € 2.347,00. Werkgever legt hieraan ten grondslag dat door sprake is van opzet aan de kant van werknemer schade is ontstaan aan de bedrijfsauto, die werknemer dient te vergoeden.
Oordeel
Aanzegplicht
Vast staat dat de brief van 11 mei 2019 niet per aangetekende post is verzonden. Ter zitting heeft werkgever onweersproken gesteld dat werknemer – nadat de brief op 11 mei 2019 is verzonden – heeft laten blijken dat hij op de hoogte was van het einde van zijn dienstverband. Het niet voortzetten van het dienstverband was de aanleiding voor het gesprek van 17 juni 2019. Niet is weersproken dat twee maanden voor het versturen van de brief van 11 mei 2019 meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden over het slechte functioneren van werknemer, en dat het voor hem toen voldoende duidelijk was dat zijn dienstverband niet zou worden voortgezet. Nu werknemer niet heeft weersproken dat hij op de hoogte was van het einde van zijn dienstverband, is vast komen te staan dat werkgever tijdig heeft aangezegd. Werknemer heeft dus geen recht op een vergoeding en het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Tegenverzoek
Volgens jurisprudentie dient de werknemer schade aan een ter beschikking gestelde (lease)auto te vergoeden, indien de schade niet tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is veroorzaakt. Werkgever heeft gesteld dat werknemer opzettelijk schade heeft veroorzaakt aan de bedrijfsauto door de stickers met een schuurspons te verwijderen en de bedrijfsauto ernstig vervuild in te leveren. Werknemer heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij een schuurspons heeft gebruikt voor het verwijderen van de stickers op de bedrijfsauto. Daarnaast is niet door werknemer weersproken dat hij de bedrijfsauto ernstig vervuild heeft ingeleverd. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer opzettelijk de stickers met een schuurspons heeft verwijderd, met als gevolg de ontstane lakschade. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat werknemer opzettelijk de bedrijfsauto ernstig vervuild heeft ingeleverd. Het had op de weg van werknemer gelegen de stelling van werkgever gemotiveerd te betwisten. Nu hij dit heeft nagelaten, wordt dit verweer als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Dat werkgever werknemer niet op de schade heeft gewezen op het moment dat werknemer de bedrijfsauto heeft ingeleverd, doet hier niets aan af. Het verzoek tot betaling van € 2.347 ter zake van schade zal daarom worden toegewezen. Werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.