Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 februari 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:1061
Feiten
Werkneemster is van 1 augustus 1977 tot 1 juli 1994 bij Stichting Fractiebureau CDA (hierna: Fractiebureau CDA) in dienst geweest. Tijdens dit dienstverband heeft zij pensioen opgebouwd. Per 1 januari 2001 is aan werkneemster een onvoorwaardelijke toeslagverlening (indexatie) toegezegd over de pensioenaanspraken die tot die datum waren opgebouwd. Op 1 april 2011 is het ouderdomspensioen van werkneemster ingegaan. Op 4 september 2014 heeft Fractiebureau CDA aan werkneemster, en aan anderen die recht hadden op onvoorwaardelijke toeslagverlening, een brief gestuurd met het verzoek om in te stemmen met de omzetting van een onvoorwaardelijke toeslagverlening naar een voorwaardelijke toeslagverlening. Werkneemster heeft Fractiebureau CDA bericht dat zij niet met het voorstel wilde instemmen. In verband met het feit dat 70% van de deelnemers wel met de genoemde omzetting heeft ingestemd, heeft Fractiebureau CDA in 2015 70% van de voorziening laten vrijvallen. Bij brief van 12 juli 2018 heeft Fractiebureau CDA werkneemster bericht dat Fractiebureau CDA, bij gebreke van instemming met genoemde wijziging, genoodzaakt is om de pensioenaanspraken eenzijdig aan te passen. Bij brief van 31 augustus 2018 heeft werkneemster Fractiebureau CDA bericht niet met de eenzijdige wijziging te kunnen instemmen. Werkneemster vordert onder meer een verklaring voor recht dat de door het Fractiebureau CDA aangezegde eenzijdige wijziging van de toeslagverlening niet rechtsgeldig is.
Oordeel
Artikel 20 Pensioenwet
De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat werkneemster op grond van artikel 20 Pensioenreglement recht heeft op onvoorwaardelijke toeslagverlening (hierna ook: indexatie). In geschil is wel of deze onvoorwaardelijke indexatie eenzijdig gewijzigd kan worden in een voorwaardelijke indexatie. Werkneemster heeft zich op het standpunt gesteld dat – voor zover artikel 24 Pensioenreglement al een wijzigingsbeding zou zijn, wat zij betwist – wijziging voor aanspraakgerechtigden niet mogelijk is op grond van artikel 20 Pensioenwet. Voor de uitleg en toepassing van dit artikel is allereerst van belang wat er onder het begrip ‘pensioenaanspraak’ wordt verstaan. De kantonrechter is van oordeel dat uit de definitie van pensioenaanspraak volgt dat onvoorwaardelijke toeslagverlening onder het begrip pensioenaanspraak valt, nu alleen voorwaardelijke toeslagverlening is uitgezonderd. Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Pensioenwet dat de bedoeling en strekking van artikel 20 Pensioenwet is dat opgebouwde aanspraken niet gewijzigd kunnen worden, behoudens hier niet relevante uitzonderingen, en dat hieronder mede zijn begrepen aanspraken op onvoorwaardelijke toeslagen. Ook het feit dat de onvoorwaardelijke aanspraak pas in 2001 aan werkneemster is toegezegd, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. De Pensioenwet beoogt namelijk zekerheid te geven over het te verwachten pensioen, zoals onder meer tot uitdrukking is gekomen in artikel 20 Pensioenwet. Werkneemster heeft sinds de toezegging is gedaan daarop mogen vertrouwen, ongeacht of zij wel of niet zelf door premiebetaling aan de toezegging heeft bijgedragen. De conclusie is dat artikel 20 Pensioenwet aan de aantasting van opgebouwde aanspraken, waaronder aanspraken op onvoorwaardelijke toeslagverlening, in de weg staat. Gelet hierop kan de vraag of artikel 24 Pensioenreglement überhaupt als wijzigingsbeding kan worden gekwalificeerd, onbesproken blijven.
Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
Het subsidiaire verweer van Fractiebureau CDA impliceert dat artikel 20 Pensioenwet buiten toepassing moet blijven. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW kan een tussen partijen geldende regel, zoals artikel 20 Pensioenwet, niet van toepassing zijn, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De kantonrechter moet met een dergelijk beroep op de redelijkheid en billijkheid terughoudend omgaan, zeker als het gaat om een regel van dwingend recht zoals artikel 20 Pensioenwet. In deze zaak is er onvoldoende reden om te kunnen oordelen dat voortzetting van de onvoorwaardelijke indexering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op zichzelf heeft de kantonrechter begrip voor de wens van Fractiebureau CDA om alle deelnemers en oud-deelnemers gelijk te behandelen. Echter, gelet op de keuze van de wetgever had en heeft Fractiebureau CDA niet de mogelijkheid om dit beleid te voeren als de financiële middelen beperkt zijn en voorzetting van dit beleid ertoe leidt dat daardoor de rechten worden aangetast die door artikel 20 Pensioenwet worden beschermd, tenzij vrijwillig van die rechten afstand wordt gedaan (zoals ook al veel deelnemers hebben gedaan), maar daar is in het geval van werkneemster juist geen sprake van. Werkneemster heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht aangevoerd dat de financiële last van de (resterende) indexatieverplichting veel lager is dan geschetst door Fractiebureau CDA en dus ook niet zo’n zware wissel trekt op de organisatie en de begroting als door Fractiebureau CDA is voorgehouden. De noodzaak van een nieuw te vormen voorziening kan geen argument vormen om te concluderen dat continuering van de onvoorwaardelijke toeslagverlening onaanvaardbaar zou zijn. De omstandigheid dat Fractiebureau CDA de indexeringsregeling niet tijdig heeft gewijzigd, terwijl daartoe wel de mogelijkheid bestond, komt voor haar rekening en risico, en is daarom geen omstandigheid die ertoe kan leiden dat het beroep van werkneemster op nakoming van de onvoorwaardelijke indexeringsregeling onaanvaardbaar is. Ook de verdere argumenten die Fractiebureau CDA heeft aangedragen, zijn onvoldoende om te komen tot een ander oordeel. De slotsom is dat de gevraagde verklaring voor recht dat de aangezegde eenzijdige wijziging van de toeslagverlening niet rechtsgeldig is, moet worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering dat voor recht wordt verklaard dat Fractiebureau CDA gehouden is de onvoorwaardelijke toeslagverlening onverkort te blijven toepassen en de vordering tot nakoming van de pensioenovereenkomst in die zin dat met betrekking tot de door werkneemster opgebouwde pensioenaanspraken onvoorwaardelijke toeslagverlening toegekend zal blijven worden.