Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 27 februari 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:1579
Feiten
Werknemer is sinds 15 juli 2019 in dienst bij Magentazorg op basis van een contract voor bepaalde tijd tot 15 juli 2020. De functie van werknemer is ondersteunend medewerker wonen en welzijn met een salaris van € 1.420,86 bruto per maand. Op 21 augustus 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en de teamcoach, waarbij het functioneren van werknemer is besproken. Op 30 augustus 2019, 9 september 2019, 10 september 2019, 20 september 2019 en 25 september 2019 zijn vervolggesprekken over het functioneren met werknemer gevoerd. Magentazorg verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden vanwege – kort gezegd – disfunctioneren. Werknemer heeft geen verweerschrift ingediend en is ook niet op de zitting verschenen.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat werknemer geen verweerschrift heeft ingediend, geen bericht van verhindering heeft gestuurd en ook niet op de zitting is verschenen. De rechtbank heeft werknemer met een brief van 17 december 2019, gericht aan de FNV-gemachtigde van werknemer, opgeroepen voor de zitting. De gemachtigde heeft in telefonisch contact met de griffier van de rechtbank op 20 februari 2020 meegedeeld dat zij de oproeping voor de zitting heeft ontvangen, dat zij bekend was met datum en tijdstip van de zitting, maar dat de zaak door de FNV is uitbesteed aan een externe partij. Welke partij dat was, waarom die niet op de zitting is verschenen en waarom geen verweerschrift is ingediend, kon de gemachtigde niet aangeven. De kantonrechter moet gelet op deze informatie aannemen dat de gemachtigde van werknemer bekend was met de zitting, maar niettemin niet is verschenen. Dat komt voor rekening en risico van werknemer. Dat brengt mee dat op het verzoek kan worden beslist zonder nadere oproeping of zitting en ondanks het feit dat werknemer en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Werknemer heeft de voldoende gemotiveerde en onderbouwde stelling van Magentazorg dat sprake is van disfunctioneren en dat een verbetertraject geen resultaat heeft gehad, niet weersproken. Daarvan uitgaande is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een redelijke grond voor ontbinding, te weten disfunctioneren van werknemer (art. 7:669 lid 3 onder d BW). De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van werknemer binnen redelijke termijn niet mogelijk is, nu de stelling daarover van Magentazorg ook niet is weersproken. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Magentazorg zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 april 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (art. 7:671b lid 8 BW). Omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft Magentazorg geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van een van beide partijen.