Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19 februari 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:463
Feiten
Werkgeefster is opgericht voor de exploitatie van een theater. Zij is eigenrisicodrager voor de Ziektewet en is verzekerd bij Aegon. Werkgeefster heeft met gedaagde (hierna: de verzuimbegeleider) een overeenkomst gesloten ter uitvoering van het verzuim- en re-integratiebeleid. Werkneemster was werkzaam als restaurantmanager bij het theater. Zij heeft zich half februari 2017 ziek gemeld. De verzuimbegeleider heeft de verzuimbegeleiding opgestart. Eind maart heeft werkneemster werkgeefster meegedeeld dat zij ontslag wilde nemen. Werkgeefster heeft op 27 maart 2017 een beëindigingsovereenkomst met haar gesloten en werkneemster heeft bij het UWV een uitkering aangevraagd. Toen bleek dat zij daar geen recht op had, is zij een procedure begonnen tegen werkgeefster. De kantonrechter heeft de beëindigingsovereenkomst op 18 april 2018 vernietigd op grond van dwaling. Werkneemster overzag niet dat zij geen recht zou hebben op een uitkering, en werkgeefster heeft haar daarvoor niet gewaarschuwd. Werkgeefster heeft werkneemster nog geruime tijd loon moeten doorbetalen. Aegon heeft daarvoor geen dekking geboden. Werkgeefster vordert nu een verklaring voor recht dat de verzuimbegeleider niet heeft gehandeld zoals verwacht had mogen worden. Verder vordert zij schadevergoeding.
Oordeel
Beroepsfout
Werkgeefster baseert haar vordering voor schadevergoeding op de stelling dat de verzuimbegeleider een fout gemaakt heeft en dat de schade door die fout veroorzaakt is. De kantonrechter overweegt allereerst dat werkgeefster hiervan de bewijslast draagt. De overeenkomst bevat een opsomming van verplichtingen voor de verzuimbegeleider, maar de reikwijdte daarvan is niet helemaal duidelijk. De algemene maatstaf voor de beoordeling van beroepsfouten is of de verzuimbegeleider heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar op dat moment behoorde te doen. Dat betekent ten minste dat de verzuimbegeleider over onderwerpen die onder de overeenkomst vielen correct moest adviseren en bij onderwerpen die niet onder de overeenkomst vielen, had de verzuimbegeleider werkgeefster moeten inlichten, zodat elders advies hierover kon worden gevraagd. Vaststaat dat werkgeefster geen advies heeft gevraagd over het sluiten van de beëindigingsovereenkomst met werkneemster. De verzuimbegeleider was daar alleen achteraf bij betrokken en kon én hoefde derhalve niet vooraf te adviseren. Werkgeefster heeft wel gevraagd om advies over de administratieve afwikkeling. Volgens werkgeefster heeft de verzuimbegeleider hier een fout advies gegeven over het recht op uitkering van werkneemster. Een onderbouwing ontbreekt. De rechtbank weet dus niet waarom werkneemster geen uitkering kreeg. De stelling dat het advies om werkneemster beter te melden onjuist was, omdat zij daardoor geen uitkering kreeg, hangt dus in de lucht. Dan kan de rechtbank ook niet concluderen dat de verzuimbegeleider een beroepsfout gemaakt heeft.
Causaal verband
Als die beroepsfout wel vast zou staan, is overigens nog de vraag of de schade van werkgeefster daardoor veroorzaakt is. Werkgeefster had de kosten van de Ziektewetuitkering moeten dragen (eigenrisicodrager), maar daarvoor zou Aegon dan dekking geboden hebben. Werkgeefster heeft niet onderbouwd dat werkneemster in dat geval wel een uitkering zou hebben gekregen. Bovendien is niets overgelegd waaruit de reden voor het weigeren van dekking door Aegon zou kunnen blijken. Ook op dit punt heeft werkgeefster haar stelling dus onvoldoende onderbouwd. De conclusie is daarom dat de vordering wordt afgewezen, omdat wanprestatie onvoldoende is komen vast te staan.