Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 maart 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:1859
Feiten
Werkneemster is met ingang van 12 augustus 2003 bij Stichting Vestia in dienst getreden. Met werkneemster zijn meerdere functionerings- en beoordelingsgesprekken gevoerd, waarin soms aandachtspunten werden aangegeven. Eind oktober 2018 is werkneemster gestart met het uitvoeren van een ontwikkelplan. Op 22 januari 2019 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden over het jaar 2018, met als eindoordeel ‘slecht/matig’. De eindevaluatie van het ontwikkelplan heeft op 5 februari 2019 plaatsgevonden en vermeldt dat werkneemster vijf van de zes ontwikkelpunten niet heeft gehaald. Op 27 maart 2019 is een verbeterplan aan werkneemster voorgelegd. Het verbeterplan zou voor de duur van zes maanden worden aangegaan, waarbij werkneemster op vier onderdelen verbetering moest laten zien, waaronder het zelfstandig functioneren op het gewenste niveau en het openstaan voor feedback. Op 29 augustus 2019 is tijdens een gesprek uitgesproken dat het niet realistisch was dat werkneemster voor eind september 2019 op alle vier de verbeterpunten de noodzakelijke verbetering zou hebben gerealiseerd. De conclusie luidde: werkneemster is niet geschikt voor haar functie. Vestia verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de d-grond (disfunctioneren) dan wel op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding).
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat werkneemster al bijna 17 jaar in dienst is bij Vestia en sinds 2013 haar huidige functie vervult. De kantonrechter kan uit de vanaf 2014 overgelegde functioneringsverslagen en de jaarlijkse beoordelingen afleiden dat de beoordelingen van werkneemster goed waren en dat er met haar over aandachtspunten is gesproken. Uit die verslagen noch gesprekken is gebleken welke taken en verantwoordelijkheden die behoren bij de functie door werkneemster niet voldoende werden beheerst. De kantonrechter constateert dan ook dat werkneemster op 4 januari 2018 een prima beoordeling heeft gehad en in die beoordeling slechts twee aandachtspunten terugkomen en geen wezenlijke functie-eisen waaraan zij niet zou voldoen. Op basis van de overgelegde stukken is de kantonrechter dan ook van oordeel dat Vestia de kritiek op het disfunctioneren van werkneemster te algemeen, te vaag en niet concreet heeft geformuleerd. Vestia heeft onvoldoende onderbouwd welke taken en/of verantwoordelijkheden werkneemster in haar functie niet voldoende beheerste dan wel daar niet de juiste uitvoering aan gaf. Voor vrijwel iedere werknemer geldt dat er aandachtspunten zijn in het functioneren die tijdens een functioneringsgesprek c.q. beoordelingsgesprek worden genoemd. Dit is echter niet hetzelfde als het niet voldoen aan functie-eisen. Vestia heeft weliswaar in het ontwikkelplan en later in het verbeterplan over diverse doelstellingen en verwachtingen gesproken, maar die zijn alle evenmin concreet en duidelijk en niet objectief en meetbaar opgesteld. Het had op de weg van Vestia gelegen om aan werkneemster duidelijk te maken waar het aan schortte en haar ondersteuning en middelen te bieden om het gestelde disfunctioneren te verbeteren. Hierbij komt dat, als al sprake zou zijn van disfunctioneren, het verbetertraject niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Er is aan werkneemster geen reële kans geboden het vermeende disfunctioneren te verbeteren. Vestia heeft het verbeterplan binnen twee maanden (vroegtijdig) beëindigd. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een voldragen d-grond. Ter zitting is weliswaar gebleken dat de verhouding tussen partijen steeds meer onder druk is komen te staan, maar onvoldoende is gebleken dat sprake is van een duurzame en onherstelbare verstoring. Afwijzing van het ontbindingsverzoek volgt.