Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 21 augustus 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:6465
Feiten
Werkneemster is op 1 mei 2018 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van Backoffice manager. De overeenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd op 1 mei 2019. Werkneemster verzoekt de kantonrechter werkgeefster te veroordelen tot betaling van een aanzegvergoeding van € 2.706,67 bruto. Werkneemster heeft vóór 31 maart 2019 niets vernomen over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en maakt daarom aanspraak op de aanzegvergoeding van artikel 7:668 lid 3 BW.
Oordeel
Werkgeefster heeft door niet te verschijnen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren op het verzoek van werkneemster. Op de zitting heeft werkneemster aan de rechter een aangetekende brief getoond, waarbij zij de oproepingsbrief van de rechtbank en het verzoekschrift aan werkgeefster heeft gestuurd. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat werkgeefster op de hoogte was van de zitting, maar desondanks niet is verschenen. Het verzoek tot betaling van de aanzegvergoeding komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt daarom toegewezen.