Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 26 februari 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:798
Werkgeefster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij snelle ontruiming van de woning, geruime tijd voor het eindigen van de nog voortdurende arbeidsovereenkomst.

Feiten

Werkgeefster is een familiebedrijf en bestaat onder meer uit vier tuincentra. Werknemer is sinds 1 november 2004 in dienst van werkgeefster als bedrijfsleider. In 2010 is bij het tuincentrum een magazijnloods met een verdiepingsvloer gebouwd. Op de verdiepingsvloer is een woning gerealiseerd. Werknemer woont – in ieder geval vanaf 2014 – met zijn vrouw en dochter in de woning. Partijen hebben hierover geen schriftelijke afspraken gemaakt. Werkgeefster vraagt geen huur en werknemer betaalt ook geen gas, water of licht. De echtgenote en dochter van werknemer zijn ook werkzaam bij het tuincentrum. Op 13 mei 2019 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst met werkgeefster mondeling opgezegd per 31 december 2019. In de opzeggingsbrief worden een aantal afspraken gemaakt, onder meer over de einddatum van de arbeidsovereenkomst en het opleveren van de woning per datum uit dienst. Werknemer heeft de brief niet getekend. Werknemer heeft zich daarna ziek gemeld. Vervolgens heeft werknemer aan werkgeefster laten weten dat hij de opzegging wil terugdraaien. Werkgeefster heeft werknemer aan zijn opzegging gehouden. Werkgeefster heeft werknemer in een brief van 3 december 2019 aangezegd de woning uiterlijk 31 december 2019 leeg op te leveren. Werknemer heeft hieraan geen gehoor gegeven.

Oordeel

Uit de beschikking in de verzoekschriftprocedure die gelijktijdig met het onderhavige vonnis is gegeven, volgt dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en nog enige tijd voortduurt. Volgens vaste rechtspraak is een bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar, maar kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een redelijke, aan de omstandigheden aangepaste, opzegtermijn in acht moet worden genomen. Gelet op de sterke samenhang met de arbeidsovereenkomst ligt het voor de hand dat de bruikleenovereenkomst ook op 1 mei 2020, gelijk met de arbeidsovereenkomst, eindigt. Werkgeefster heeft voor haar vordering tot spoedige ontruiming met name gesteld dat werknemer werkgeefster en haar medewerkers meerdere keren heeft bedreigd en de situatie onhoudbaar is. De kantonrechter is echter niet gebleken dat werknemer zodanig ernstige bedreigingen in de richting van werkgeefster en haar medewerkers heeft geuit, dat een onmiddellijke ontruiming van de woning noodzakelijk is. De kantonrechter acht het voorstelbaar, gelet op de ontstane juridische discussie tussen partijen, dat het voor beide partijen minder gewenst is om regelmatig met elkaar geconfronteerd te worden. Werknemer heeft ter zitting gezegd dat hij zich daarvan bewust is en dat hij bereid is voor de resterende termijn in de woning hierover afspraken te maken met werkgeefster. Werkgeefster heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat zij de woning nodig heeft voor eigen gebruik als opslagruimte. Nu werkgeefster deze stelling niet heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. In elk geval is niet duidelijk gemaakt dat die opslagruimte op een zo korte termijn noodzakelijk wordt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat werkgeefster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij snelle ontruiming van de woning, geruime tijd voor het eindigen van de nog voortdurende arbeidsovereenkomst.