Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is sinds 2 januari 1995 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) werkgever, laatstelijk in de functie van medewerker tandtechnisch laboratorium, op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een arbeidsomvang van 24 uur per week. Werkgever heeft op 30 oktober 2019 een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV voor werkneemster op grond van bedrijfseconomische redenen, en het UWV gevraagd om een verklaring waarin staat of hij voldoet aan de voorwaarden voor de overbruggingsregeling transitievergoeding. Op 28 november 2019 heeft het UWV aan werkgever toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen en verklaard dat werkgever niet voldoet aan alle voorwaarden voor de overbruggingsregeling transitievergoeding. Op 19 december 2019 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd met ingang van 1 maart 2020 en toegezegd een transitievergoeding van € 3.000 te zullen uitkeren. Werkgever verzoekt de kantonrechter om bij beschikking een verklaring voor recht af te geven inhoudend dat aan alle voorwaarden voor de overbruggingsregeling is voldaan en dat het UWV zijn beslissing van 28 november 2019 dient te herzien. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt werkgever dat de vordering (lening) op de directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) in de jaarrekening ten onrechte onder de vlottende activa staat. Werkneemster verzoekt onder meer werkgeefster te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 16.770,20 bruto.
Oordeel
Werkgever heeft naast de toelichting aan het UWV geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat feitelijk van een langlopende lening sprake is, zoals jaarrekeningen uit een verder verleden en/of de rekeningcourantovereenkomst/leningsovereenkomst waarop hij zich beroept. De kantonrechter ziet dan ook niet in waarom de rekeningcourantovereenkomst, waarvan sprake is volgens werkgever, niet onder vlottende activa zou vallen. Ook heeft werkgever noch zijn belastingadviseur ter zitting een overtuigende verklaring gegeven voor het feit dat als, zoals hij stelt, de vordering al 20 jaar geleden opgenomen had moeten worden onder financiële vaste activa, herstel van die ‘omissie’ niet gebeurd is en waarom dat, hoewel zoiets in de risicosfeer van werkgever ligt, (nu) zou moeten betekenen dat werkneemster een lagere transitievergoeding zou moeten krijgen. Er is derhalve geen reden door de ‘jaarstukken’ heen te kijken en aan te nemen dat de kortlopende schulden groter zijn dan de vlottende activa. Er is derhalve niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 24 lid 2 aanhef en onder c Ontslagregeling. Dat betekent dat werkgever geen beroep kan doen op de overbruggingsregeling transitievergoeding. Omdat het beroep van werkgever op de overbruggingsregeling transitievergoeding niet slaagt, kan werkneemster aanspraak maken op de volledige, met wettelijke rente te vermeerderen, transitievergoeding. Tevens ontvangt werkneemster een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.